Café De Bosduif in Merksplas. Met een lange rij reisduiven op het dak. Wat verder Langs dezelfde weg Café De Koekoek. Wéér een vogelcafé, dus ook daar maak ik een foto. Snel in en uit de auto, en verder. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik een man uit het café rennen, de weg op. Hij noteert iets. Toch niet mijn nummerplaat, zeker?! Ik draai terug. Het café is in rep en roer. Ik zeg dat ik de man van de foto ben: twee vogelcafés na mekaar, dat vond ik bijzonder. Ze willen me geloven, maar in hùn ogen heb ik mij toch verdacht gemaakt. Ze laten het bierviltje zien. De nummerplaat is correct. Het is 2011. Ik ben betrapt. Ik heb een café gefotografeerd.
Langs de weg groeit achterdocht.
De regen striemde de daken, gutste op de terrassen, kletste op de grote stenen van het plein.
De dakgoot spuwde met een wijde boog een onbekende waterval de straat in.
De regen zocht zijn weg. Zijn druppels waren hier nog nooit geweest.
Oldtimer op het grint van een oud kasteel.
De ruitenwisser zo dun als de arm van een platenspeler.
Ik zou een piano kunnen horen.
Maar er klinkt alleen het krassen van de kraaien.
Een winterdag. En met de trein vertrokken.
De naam van het station had ik gezien. En toen kwamen deze huizen.
Niks ongewoon. Huizen op de oever van een rivier.
Pepinster en de Vesder. Februari 2020.
Als de stamgasten op vakantie gaan, sturen ze een prentkaart naar hun café. Om hun afwezigheid te rechtvaardigen en om de thuisblijvers te groeten. Al die kaarten blijven jaren hangen, geheel in de stijl van de stamgasten zelf.
Dat dolfijnen, zonnestranden en Che Guevara naast mekaar hangen is ongewoon.
Zo broederlijk moet de wereld eruitzien heeft de cafébazin beslist.
De spoorlijn is in 2012 gesloten. Ze lag er van 1873.
Het bord meldt de treinbestuurder dat hij een station nadert en dat hij moet vertragen.
In het station wachten graffiti en struiken op het perron. De passagiers zijn kraaien.
In de wachtzaal ligt glas te breken, dof en zonder vragen.
Een gocart is soms meer een auto dan een fiets.
Vanwege de vier banden, de handrem en het stuurwiel.
En de neiging om fout te parkeren.
Iedereen komt in zijn leven wel eens voor een onderneming te staan waarvan het welslagen niet zo zeker is.
Zij hield hem gezelschap met haar lichte verveling.
Stelde enkele vragen over het bijten van de vis.
Hij antwoordde geduldig. Nog niet de zwijgende hengelaar.
Nog altijd haar grote broer.
De tractor heeft aarde geploegd, akkers geëgd, kalveren vervoerd en drinkwater naar de weilanden gebracht.
Een boerenbestaan rust op ribbelbanden.
Aan een volgend leven wordt ook gedacht. Tractorbanden worden bloembakken.
Melkkitten worden brievenbussen. Geraniums vinden vaste voet in opgehangen klompen.
Alleen het karrenwiel verlaat definitief de boerderij. Het heeft een hoger doel.
Luster worden in een restaurant.
Zelden zoveel zwaluwen in het zwerk zien zwieren.
Jammer genoeg niet in Zwevezele, Zwijnaarde of Zwankendamme,
maar in Ollomont, nabij Nadrin.
Ingeslapen tijdens het EK 2014.
De gevouwen handen berusten in het tornooi.
Straks komt een bal hoog voor de kooi.
Ik heb iets met die snoeren van gekleurde gloeilampen. Ze doen aan oude kerstmissen denken en eenvoudig versierde sparrenbomen. Ook aan schaatsen op avondblauw ijs met een café op de donker geworden dijk, dat café heeft die kleurlampen. Ze hangen ook op het dorpsplein in “Jour de fête” van Jacques Tati. Bij valavond en nog voor iemand vrolijk is, gloeit al het rood, geel en blauw onder het dichte bladerdak van een linde.
Er bestaan verbodsborden van honden met een drol en een streep erdoor. In deze nieuwe woonwijk is voor een volle tekst gekozen. De totstandkoming van het bord vergde de inzet van een gemeentebestuur, een ontwerper, een drukker en een werkman. Vreemd is dat de gemeente voor de verkleinwoorden ‘hondjes’ en ‘strontjes’ kiest. Eerst maken ze een groot bord en dan minimaliseren ze hun woorden. Lees: wij willen niemand voor de kop stoten.
Lees ook: gemeentehuisje, burgemeestertje en geachte inwonertjes.
De boer slaat een paal en spant een ijzeren draad. Rond het rundvee.
Genaamd: dikbil. Blauwwit.
De vacht met de bonte vlekken, een kleine archipel op een zee van vlees.
Het dier schudt met trillen de steekvliegen af.
Honderd kilometer verder wachten wij op zijn dood.
Het zijraam stond open en zo kon ik mijn kop binnensteken.
De afwezige bestuurder was duidelijk een paardenvriend, de hoefdieren zaten vastgekleefd.
Een auto met twee extra PK.
De paarden gaan overal mee. Ze kennen al zijn gezichtsvelden.
De luidspreker is in jaren niet meer gebruikt. Er groeit mos in zijn galmgat.
De overkapping is van een kansel die deel uitmaakt van een grote Lourdesgrot.
Vanop deze preekstoel werden stichtende sermoenen afgestoken tijdens Mariabedevaarten.
Tot dertig jaar geleden bestonden er families van “Lourdesgrottenbouwers”.
Intussen is zo’n grot van imitatierotsen aanvaard als bouwkundig erfgoed.
De bouwstijl wordt omschreven als “cementrustiek”.
Een mens die dood gaat, komt in het graf terecht.
Die zie je niet meer terug in het openbare leven. Zijn hoofdstuk is afgesloten.
Gesloten winkelhuizen zijn ook dood maar toch nog in leven
omdat ze aanwezig blijven in het openbaar.
Een vreemd en zwijgend hiernamaals in onze straten.