De hometown en jeugdjaren van Bob Dylan: zijn buurjongen, eerste drummer en anderen
Deze week verschijnt de nieuwe film over Bob Dylan in de filmzalen. "A complete unknown" portretteert de jonge Dylan die als volslagen onbekende in New York arriveert om daar in de koffiehuizen op te treden, met later in de film: zijn 'electrische' uitbraak uit het klassieke folkmilieu.
Van zijn nog jongere jaren dat hij als Robert Allen Zimmerman in 'the North Country' opgroeide, is veel minder bekend. Vandaar deze reis naar zijn hometown, het oude mijnstadje Hibbing in het noorden van Minnesota.
© Jan Hertoghs: Humo april 1999 (2de deel in de reeks “Op naar het Wilde Noorden”) - samen met Stephan Vanfleteren
“Hij was verlegen, maar eens binnen, wilde hij het huis van zijn jeugd kamer voor kamer zien en in zijn geheugen prenten.”
© Stephan Vanfleteren (scan uit Humo)
De wind snijdt over de parking van het motel en de wind chill thermometer wijst min 21 aan als we de 300 kilometer naar het noorden aanvatten. De lange stukken highway ruilen we voor de kleinere country roads, we passeren dorpjes als Kerkhoven en Clearwater, duwen het gas in op ingesneeuwde boerenlaantjes en slippen op een grindweg met de groteske naam 555th Avenue. Van langsom verdwijnen de boerderijen en de kromme brievenbussen, ze maken plaats voor bomen waarin geen kraai te zien is en witte meren waar elk geluid verstomt in de sneeuw. Het is stil in het noorden van Minnesota en uit die stilte komt de stem van Bob Dylan.
Bij een boerderij aan de rand van het Hill River State Forest komt een kringel rook uit de schoorsteen maar verder beweegt er niets, er zijn alleen voetstappen in de sneeuw. Het is een huis aan de rand van de wildernis, aan de grens waar wolven komen als de winter streng is. Minnesota telt meer dan tweeduizend wolven, die doen géén mens kwaad, maar bewoners vinden ‘s morgens soms de waakhond niet meer, alleen nog de ketting en het bloed in de sneeuw. Het was een kluif voor de wolf, heet het dan, ‘een hond aan de leiband, dat is een lolly met vlees.’
Opzij van de boerderij en aan de rand van het bos bevriest de Mississippi; het ijs is dik genoeg om erop te wandelen. Dit ijs moet in het voorjaar nog door eenendertig staten van Amerika, helemaal naar Louisiana op 3600 km van hier. Pas daar kan het mijlenbreed in de warme Golf van Mexico stromen. Nu ligt de Mississippi hier stil, veertig meter breed en toch bevroren als een beek.
Het laatste stuk highway naar Hibbing is een magere streep asfalt alsof de weg alsmaar dunner wordt en uitrafelt naar het noorden toe. We houden stil om foto’s te nemen en de eerste auto stopt al om te vragen of ‘ze kunnen helpen’. Het gevoel naar een uithoek te rijden neemt toe. Dylan zei zelf dat hij uit een dead end town kwam en dat hem daar maar één ding te doen stond ‘en dat was weglopen’. Maar eens we er zijn heeft het mijnstadje Hibbing (18.000 inwoners) niks van treurnis en niks van een gat of negorij, integendeel, het bezit nog het blauw van de valavond en neons die wenken naar laundromat en liquor store, en bij Mister Nick’s zwaait de kroegdeur open en valt een kegel licht op straat. In deze straten heeft Bobby Zimmerman dus zijn jeugd doorgebracht, een brave jongen in een brave wijk met brave ouders in een braaf stadje in de VS.
Geboren in Hibbing is Bob Zimmerman niet, dat was in Duluth op honderd km hiervandaan, maar van zijn zesde tot zijn achttiende heeft de Litouws-joodse familie Zimmerman onafgebroken in Hibbing gewoond. De woning in Seventh Street is gauw gevonden, een grijs paviljoenachtig huis met plat dak en tuin, er brandt licht, ik weet, Dylan doesn’t live here anymore, en toch doet het me iets zijn hometown en zijn huis te zien. Want het is hier dat de Dylan opgroeide die nu in de hoofden en huiskamers van miljoenen woont.
Dylan’s ouderlijk huis © Stephan Vanfleteren (scan uit Humo)
Ook bij mij zit een flinke groef. Sara, Mozambique en Hurricane doen me nog altijd aan mijn eerste studentenkot denken, Lay, Lady, Lay was de opener op m’n trouwfeest, Paths of victory, Only A Hobo, All along the watchtower, Man in the long black coat, Blind Willie Mc Tell, ze zijn me bijgebleven als lampjes van vroegere radio’s, ze gaven licht dat je nimmer vergeet.
Ik moést wel hierheen komen, want kort voor deze reis liep ik door de stad met een in de bib geleende Dylan cd op zak en zag ik iets nuitengewoon:: een langharige in een leren jekker fietste voorbij en speelde al rijdend op een mondharmonica! En wat speelde hij met één hand aan de mond en één hand aan het stuur? Blowin’ in the wind! Als dat geen teken van boven was om mij op Bob’s wegen te begeven!
Blowin’ in the wind heb ik in 1968 nog als een ‘nieuw’ lied leren zingen. De leraar, recht uit het rumoerige Leuven, had het ons aangeleerd, voor het bord op twee rijen, ‘goed ademen en armen op de rug, jongens'. Met zo'n leraarsbevel zongen wij natuurlijk over onze scheten, my friend, are blowin’ in the wind. Maar het is in mijn herinnering wel een klashymne gebleven, die wij te pas en te onpas ten berde hebben gebracht.
Wij waren de nozems
De eerste avond in Hibbing eten we een hap in Zimmy’s, in rock-atlassen aangegeven als de enige Dylan-place-to-be. De bediening is vriendelijk en de pizza’s zijn groot als wasteilen, maar ze kunnen het amper verstoppen: dit is Dylan quatro stageoni, dit is alles op een hoop gegooid. Concertposters in glas, zwartwit foto’s in de authentieke raamkozijnen van Dylan’s ouderlijk huis en dan verder de gewone Amerikaanse kermis van trekbiljarten, grijpkranen voor knuffelbeesten en drie tv-programma’s die mekaar overstemmen, moet er nog popcorn zijn!?
Meest memorabel is nog het gastenboek, met kreten als Dylan ist der Beste! en Bravo Bob, tu es le meilleur!, maar er zijn ook aandoenlijke hommages, hele bladzijden over hoe Dylan in iemands leven ingetrokken is. Eerbetonen die op het volgende blad al verbleken als iemand het eethuis bejubelt als ‘ an incredible restaurant for the prophet of the century’, alsof Jesaja hier zopas de Comme Chez Soi heeft open gedaan.
De volgende morgen begint uitstekend. Debbie Jensen, de manager van het Hibbing Park Hotel, neemt om negen uur ‘s morgens nog gauw het telefoonboek, Fuller, Funk, Furey, Furlong!, en geen half uur later staat Larry Furlong met zijn zilveren Cadillac en fluwelen zetels voor de deur. Larry is een buurjongen van Dylan geweest (‘I lived one block away from the Zimmermans’) en hij zal vandaag onze gids én chauffeur zijn: "zeg maar naar wie ik moet rijden, jongens, dit is een klein stadje, hier helpt iedereen iedereen."
Larry doet in begrafenisverzekeringen en immobiliën, houdt van Hibbing, houdt niét van de muziek van Dylan, maar hij is wel naar het legendarische concert in Duluth geweest. Dat was vorig jaar in oktober, de allereerste keer dat Dylan in ‘zijn’ geboortestad en in ‘zijn’ Noord-Minnesota optrad, ‘de 7500 plaatsen waren in vijf uur uitverkocht’. Wat Larry zich vooral herinnert, waren de twee fans uit Engeland en Schotland die naar Minnesota waren overgekomen en die uren hadden gewacht om op de eerste rij te staan, ‘dat is iets wat de mensen van Hibbing te weinig weten, dat Bobby een wereldster is, dat beseffen ze hier niet!’
De eerste die we opzoeken is Leroy Hoikkala (59). Hij was vriend en klasmaat van Dylan en speelde als drummer in zijn eerste band, The Golden Chords. Leroy woont in een nette buurt, heeft de foto’s van zijn kinderen en huwelijk in een blinkend lijstje op de vleugelpiano staan en is zopas gepensioneerd als manager van de industriereus US Steel.
Welke muziek speelden jullie eind van die jaren vijftig?
« Rock met ‘n zuiderse invloed. Dat kwam omdat we ùren luisterden naar die rhythm-and-blues radiostations uit faraway places als Louisiana en Tennessee, dat waren ook stations die pas tegen middernacht sterk genoeg door de ether kwamen. We namen die muziek op met een bandopnemer, zo’n ding met van die grote spoelen en daarna probeerden we die songs na te spelen, op het kleine zoldertje van de Zimmermans. We hadden toen nog helemaal geen band, we waren teenagers, amper veertien-vijftien jaar oud. We traden ook niet op, we gingen hoogstens ergens jammen in iemands garage of op iemands barbecue. Bob was wel het meest bezeten door muziek, hij had het erover hoe ik moest drummen, ‘van die blues’, zei hij, ‘van die trage luie be bop blues’. Okay, zei ik, want dat vond ik makkelijk als drummer. Ons eerste optreden met de Golden Chords was in 1958, in The Armory in Hibbing, wij hadden het zelf georganiseerd, een soort rock ‘n roll party, er werden platen uit de top honderd gedraaid, en wij traden ook zelf op, de entree was vijftig cent, en er waren een paar honderd teenagers. We begonnen te spelen, eerst was iedereen stil, pas na een paar hevige nummers had de zaal de sfeer te pakken, dat was heel spannend, je voelde echt dat je iets helemaal nieuw losliet op die jonge mensen, de meesten hadden amper iets van rock ‘n roll gehoord, laat staan het van dichtbij gezien.
Wat vonden Dylan’s ouders ervan? Je leest steeds dat ze niet met hem mee waren, dat ze niks van hem begrepen, dat hij niks mocht, nooit eens laat mocht opblijven..
«Ik vond dat hij geweldige ouders had, heel aardige, heel geschikte lui, en ik heb ze nooit wat onaardigs over Bob horen zeggen, maar het was wel een beschermd milieu en Bob wilde daartegen rebelleren. Dat was zo in de jaren vijftig, je wilde niet je ouders zijn maar James Dean.»
Leroy Hoikkala, de drummer van Dylan’s eerste band. (bron: “Dylan in Minnesota’ van Dave Engel)
Allicht daarom heeft Dylan jarenlang zijn afkomst verloochend. Hij vertelde dat hij een wees was, of opgegroeid in een circus, of een kind van Indianen, of weggelopen bij pleegouders. Zelfs toen geweten was dat hij uit Hibbing kwam, zei hij nog dat hij daar al sinds zijn twaalfde van huis was beginnen weglopen.
«Hij is niet één keer van huis weggelopen, en ik weet ook niet waarom hij zijn afkomst zolang verborgen heeft. Maar ja, hij wilde nu eenmaal liever een bluesy dan een bourgeois imago hebben.»
Dat is in Hibbing wel gelukt, want jullie werden bij de jonge delinquenten’ gerekend.
« Ja, wij waren the hoods. De nozems in de zwartleren jekkers, kraag opgeslagen, vetkuif, t-shirt met één mouw omgeslagen rond je pakje sigaretten én een peuk in de mondhoek. (lacht) Dat was de stijl zo’n beetje, en we hadden van die ijzeren plaatjes onder onze schoenen, dan sleepte je met je zware engineer boots over de tegels van de school, dat kraste geweldig, that was a big thing! En we reden op een motor natuurlijk! Bob had een tweedehands Harley-Davidson, die had ie zwart geschilderd, en daarmee scheurden we door het stadje, altijd dezelfde straten in en uit, en dààr waren zijn ouders wél tegen. We namen ook meisjes achterop om de stoere bink uit te hangen. Meisjes hoorden erbij, alcohol hoorde er niet bij. Vreemd voor een mijnstadje met zoveel bars en kroegen, maar zo was het, de teens dronken niet, zelfs toen we al optraden in bars, dronken we nog niet.»
Hoofd naast de rails
Dylan is met zijn motor aan de dood ontsnapt op een spooroverweg. Was jij daarbij?
« Daar was ik bij, ja. En het kwam doordat Bob tijd zo’n zenuwpees was, always moving, nooit willen stilstaan, en we moesten stilstaan voor het rooie licht, wachtend op een trage goederentrein die voorbijschoof, en dat dùùrde en dùùrde, en Bob maar aan zijn gashendel draaien, broom,broom, en toen de trein voorbij was, schoot hij het spoor over en gelijk kwam er uit de andere richting een trein, en toen heeft hij zich in het zand tussen twee spoorbundels laten vallen, zijn motor nog draaiend en de trein is rakelings langs ‘m heen gegaan. De dood ook! Ik stond te trillen op mijn benen, waw man, waw Bob, maar hij klopte het stof van zijn kleren, tilde zijn motor op, keek alles na, keek mij aan, en zei ‘Forget about it!’ Dat was het. En zo was Bob ook, never look back.»
Was hij in dat motorgroepje the leader of the pack?
« Nee. Bob was een loner, als hij zich ergens bij aansloot, was het vaak maar voor korte tijd. Bob was de man op z’n eentje, de onafhankelijke geest, de egoïst ook wel, mensen voor zich laten opdraven en zo, maar zijn wezenlijk karakter was alleen zijn en zich aan niets of niemand binden. Dat zag ik ook in zijn muziek, hij speelde vaak songs van anderen, maar hij was op zijn best als hij improviseerde, als hij zich aan geen tekst of akkoorden moest binden, dan sloeg hij die snaren aan, dan herhaalde hij een paar zinnen of een paar woorden, een naam van iemand of een plaats uit de buurt, op zich had dat weinig inhoud, maar bij hem kregen die paar woorden dan vleugels en een ziél. Muziek was nooit zomaar wat spelen bij hem, nee, hij wilde altijd een snaar raken om een gevoel te raken, Bob was a blues man.»
Kon de blues man ook grappig zijn?
« Oh ja, heel grappig, en hij had zo zijn vaste gimmicks. Dan had hij het over een muis met een apensmoel (spreekt "als" een aapje, met de tong tussen de onderlip en de ondertanden), je had ‘m moeten horen, hele verhalen verzon hij, en lol dat hij had!»
Dylan heeft nog altijd dat aureool van sociale bewogenheid. Sommigen zeggen dat hij die bewogenheid opdeed toen hij voor zijn pa geld moest ophalen bij de mijnwerkers.
« Dat verhaal klopt, de mijnwerkers kochten hun tv’s en radio’s en huishoudtoestellen bij Bob’s vader, die had zo'n uitgebreide electrowinkel. Maar als het slecht ging in de mijn, of er waren stakingen aan de gang, dan kochten ze op krediet en Bob moest die maandelijkse afbetaling soms gaan collecteren. Als zo’n mijnwerker blut was, moest hij die tv of radio weghalen uit dat huis, en mogelijk heeft hij van die ellende wat meegedragen, dat zou kunnen.
Wanneer zag je hem voor het laatst?
« Dat is vele jaren geleden, maar met zijn moeder heb ik nog lang contact gehad. Als ik daar kwam, dan lagen er altijd briefjes van haar, dat Bob aan de telefoon naar die en die had gevraagd en dan vertelde ik hoe het met die maten van hem ging, en dan kon zij dat aan Bob vertellen als hij weer eens belde.
Luister je nog naar zijn muziek?
« Oh ja, ik volg ‘m nog altijd, zijn live-albums heb ik bijna allemaal, en ik draai ze vaak, ik kan er nog altijd in opgaan. Sommigen zeggen dat hij geen stem heeft om te zingen, maar wat heb je aan een zangstem als je d’r niks bij voélt? Bij hem voél je iets, bij hem word je iets gewààr.»
Hoe reageren mensen erop dat je hem als vriend kende?
« Vaak doen ze dan een stap achteruit, zo van :waw, you were his friend! Zij zien dat als jij-was-de-vriend-van-een-superster. Dat is nonsens, ik ben alleen maar de vriend van een jongen uit Hibbing geweest, that’s all.’»
Hibbing in de winter en in de sixties (uit “Dylan in Minnesota” van Dave Engel)
Ik heb zijn kamer verkocht
We nemen afscheid, de gepensioneerden Larry en Leroy informeren naar mekaars gezondheid en die van de vrouw, er staan hen heel andere jaren zestig te wachten. En dan is het off to Hibbing High School. Het is een high school als in de film waar luidruchtige jongelui met boeken onder de arm van de ene klas naar de andere dweilen en bij de lockers het meisje aanspreken dat al een afspraakje heeft. En ja, hier had ik wel school willen lopen, wat een fantastisch gebouw, met zwembad en worstelklas, met marmer in de gangen en statige trappen en grote muurschilderingen in de hall.
'Wil je de vrouw spreken die het huis gekocht heeft van de Zimmermans,’ vraagt Larry, ‘ze werkt hiér! Hi Angel, these guys are from Belgium!’
Angel Marolt en haar man kochten het huis in 1966 van Abe en Beatty Zimmerman :’ Heel sympathieke mensen, ze vroegen 26.000 dollar, ik schreide en zei dat wij zoveel geld niet hadden en toen kregen we het huis voor 22.000 dollar.’ Angels gezin heeft er 21 jaar gewoond, en ze heeft nogal wat Dylan-fans aan het tuinhek zien passeren, ‘maar nooit problemen, nooit iets uit de tuin gestolen als souvenir, hoogstens is hier en daar wat bezetting van de muur gekrabd, och ja, dat zou er toch afgevallen zijn. Af en toe belde wel ‘ns iemand aan of hij het huis ook vanbinnen mocht zien, maar dat wou ik niet, tenzij die fans van heel ver kwamen. Ik heb jongens gehad uit Europa, helemaal door de States tot in het noorden van Minnesota gelift, dan kan je moeilijk de deur dicht houden’.
Of Dylan het ouderlijk huis nog bezocht heeft toen zij er woonde. ‘Tweemaal is hij nog langs geweest. Eén keer met zijn vrouw Sara en de kinderen, en een keer op z’n eentje in 1985. Hij wist blijkbaar dat we het huis wilden verkopen en hij wou het nog één keer zien. Ik zag een auto op straat, die stopte nu eens voor het hek en dan weer om de hoek, ik ging zien wie erin zat, en toen de man me zag, wilde hij wegrijden, maar ik wuifde, hij draaide zijn venster open en het was Bob Dylan. Kom erin, zei ik. Nee, zei hij, ik wil je niet storen, er staan twee auto’s op de oprit, dus je hebt bezoek. Nee, zei ik, ik ben alleen thuis en pas toen durfde hij binnenkomen. En hij wou alles nog eens zien, van de kelder tot de zolder, elk hoekje en plaatsje nam hij in zich op, he was very nostalgic about it. En hij was ook verlegen, praatte met een hele zachte stem en niet één keer heeft hij me aangekeken, shy as he was!’
Het oorspronkelijke interieur van de Zimmermans, het salon, de eetkamer, de sofa, de stoelen, én de kamer van Bobby Zimmerman heeft ze nadien verkocht aan een man uit Chicago. ‘Hij zei dat hij een verzamelaar was. Voor mij was het toch maar een huis als een ander en ik heb het allemaal in één keer verkocht. Voor hoeveel? Voor iets meer dan wat je geeft voor een tweedehands inboedel, dus zeker voor veel te weinig geld. Misschien haalt die man het wel boven als Dylan dood is, je weet hoe dat gaat!’
In ’87 is Angel verhuisd, ‘een platenfirma heeft het huis nog willen kopen, maar het stadsbestuur was tegen ‘iets commercieels’ in die buurt, en nu woont er opnieuw een gezin in de woning.
Steinway schoppen
Charles Miller: “Wat hij zong , kwam recht uit mijn cursus.” © Stephan Vanfleteren (scan uit Humo)
We schudden de hand van Charles Miller, 81, en oud-leraar sociale wetenschappen van laatstejaars Bobby Zimmerman. Hij draagt bretellen en een berenmuts en maakt met zijn ouwe knoken nog een vuist: ' Young man, deze prachtige high school is er gekomen op kosten van de mijnbazen, maar ik mocht in de klas vrijuit zeggen dat ze de arbeiders uitzogen, geen directeur die me wat zei. Dit was een geweldige school, I got complete freedom of speech!’ Met niet weinig trots toont hij het schitterende auditorium met zijn 1800 goudfluwelen zitplaatsen en zijn zware kristallen luchters ‘uit België!’ Grote feesten van de school, historische speeches van de principal en de muziek van machtige orkesten is hier over de hoofden gegaan en ook Bobby Zimmerman is hier tweemaal voor een vol huis opgetreden. Het zijn de legendarische schooloptredens waarbij z’n driekoppig rock ‘n roll bandje door een groot deel van de studenten werd uitgelachen en uitgejouwd.
De Steinway waar Dylan toen op speelde, lééft nog altijd. Twee klusjesmannen van de school zullen ze speciaal voor ons uit de coulissen halen, een lage kast plooit open, en uit dat donkere tabernakel komt de 77 jaar oude Steinway, de vleugel heeft krassen op het blad en littekens waar splinters zijn afgebroken. Eén van zijn ruwste toetsenisten is zonder twijfel Bobby Zimmerman geweest. Charles Miller weet het nog: ‘Boy, stond hij daar te springen en te dansen achter die vleugelpiano, hij speelde niet, hij hamerde op die toetsen, eerst schakelde de directeur de versterkers uit, maar toen Bob bleef doorgaan, heeft ie het doek laten dichttrekken, en omdat hij dan nóg doorspeelde, heeft hij ‘m van het podium gestuurd! Ik moet zeggen, ik was ook geschokt, it was so loud, en nadien zagen ze dat hij het pedaal van de piano eraf had gestampt, zo hevig was hij tekeergegaan!’
Was Dylan in de klas ook zo’n luide bek? ‘Nee, in de klas was hij eerder teruggetrokken, hij zei alleen maar wat als je hem iets vroeg. But he had a mind, de dingen die hij zei en de verhandelingen die hij schreef waren helder en heel uitgesproken, daar was over nagedacht. Ik gaf mijn leerlingen ook stof tot nadenken, als er sociale onrust in de mijnen was, dan legde ik uit hoe de mijnbazen de stakingen probeerden te breken met knokploegen, patsers die met revolvers en baseballknuppels rondliepen om de arbeiders af te tuigen of neer te schieten. Ik leerde ze ook het belang van vakbonden inzien en hoe de bazen de unions vreesden; ze gingen zover dat ze postbodes omkochten om gesyndiceerde arbeiders te verklikken, als ze zagen dat iemand post van de vakbond kreeg. Ja, jongen, over mijn lessen werd thuis aan tafel nog gesproken. Op een dag belde een pastoor zelfs op om te zeggen dat ik moest stoppen met mijn rooie ideeën. Go to hell, heb ik hem gezegd! (fier) Ik word in één van Bob’s biografieën vermeld als de eerste bij wie hij zijn progressieve ideeën haalde. Ik weet nog dat ik voor het eerst ‘Blowin’ in the wind’ en The times, they are a-changin’ hoorde en dat ik dacht, verdorie, dat komt recht uit mijn klas!’
Het auditorium van de high school met de Steinway waarop Dylan enkele rocknummers “hamerde”. Zie ook de luchters van Belgisch kristal. © Stephan Vanfleteren
Come back, kid
This was High School, zegt Larry laconiek. Hij draait de sleutel in het contact en rijdt ons naar zijn ouderlijk huis, om de hoek van the Zimmermans. Hij stopt bij het pleintje waar ze als buurjongens nog samen baseball en hockey hebben gespeeld. Als kind waren we close, zegt hij, maar op high school zijn Bob en ik uit elkaar gegroeid. Ik was een sportman, lid van het hockeyteam, hij was de muzikant en de straatloper, two different worlds. De laatste keer dat Larry Dylan nog van dichtbij zag, was in ’85 , het best herinnert hij zich nog zijn bezoek in ‘69: ‘ Bob was toen naar de tiende reünie van de graduates van ’59 gekomen. Ik ben met hem en Sara en de kinderen nog door onze school gelopen. In het auditorium waar hij was uitgejouwd is hij lang gebleven, hij heeft één van zijn kinderen op zijn schouders genomen en is er toen alle trappen mee opgelopen tot hij helemaal boven was. Boy, ik wou dat ik toen in zijn hersenen had gekund om zijn gedachten te lezen.
Toen we nadien in de reüniezaal kwamen, zat daar driehonderd man, die wilden allemaal een handtekening en hij is weggegaan, we zijn ergens een glas gaan drinken met een paar vrienden, hij haat het als ze hem zo willen omringen. Ik zei toen dat mijn moeder nog foto’s had van toen hij klein was en of hij ze wou zien. I’d love to, zei Sara, en toen zijn ze bij ons thuis geweest en mijn moeder maakte de blikken doos open met al die zwartwitte prentjes van toen we klein waren, en Sara zei: ‘Weet u wel dat die foto’s duizenden dollars waard zijn?’ Ze zijn niet te koop, zei mijn moeder, en toen heeft ze een groot pak van die foto’s aan Sara gegeven, here, I give them to you. Ja, jongens, zo zijn wij hier. Ik had van heel die bezoekdag ook foto’s genomen, de vrienden waar hij langs ging, ons pleintje, de high school, Bobby back in Hibbing you know. Niks heb ik gehouden, elk filmrolletje heb ik hem gegeven. Eerst wou hij ze niet aannemen, maar ik wou het, omdat ik weet dat hij van zijn privacy houdt en zo was ik zeker dat niemand anders ze ooit in handen zou krijgen. Het zijn de foto’s van zíjn leven, ik heb daar geen recht op. Ook al omdat het zo’n hard leven is, overal klampen ze hem aan, overal moeten ze iets van hem, het is de tol van de roem. Wel, ik vraag geen tol, ik moet niks hèbben, dat joch was mijn buurjongen, met die herinnering alleen heb ik genoeg.’
Zo vertelt Larry en intussen laat hij het ouwe Hibbing zien, de winkel waar Dylan’s vader werkte, de terrils buiten de stad en de gaten in het landschap van de open ijzermijn. Dan legt hij de motor stil op een heuvel, Hibbing ligt in de voorruit en daar gaan zijn gedachten naar uit:’ In juli vieren de graduates van ’59 hun veertigste reünie, en al veel mensen hebben me gebeld of Bob er ook zal zijn, want dat zou velen plezieren, er zijn nog genoeg mensen die hem een warm hart toedragen. Maar ik weet zeker dat hij niet zal komen omdat hij de media schuwt. En toch spring ik op als ‘s avonds de telefoon gaat, ik weet dat het niet kan, maar elke keer verwacht ik een stem te horen die zegt ‘Hi Larry, this is Bobby... ‘
Bob Who?
Tussendoor lopen we nog langs de bibliotheek, in een kleine kelderzaal is een Bob Dylan Room ingericht. Niet door de bibliothecaris van Hibbing, maar door een fan uit Wisconsin. Het zijn maar plastic plakkaten, een tijdlijn, een biografie en een discografie opgehangen aan spijkers, maar het is tenminste iéts, en zo kom je nog te weten dat het befaamde blad Life Dylan in 1990 bij de Twintig Invloedrijkste Amerikanen van de Eeuw rekende. In Hibbing is daar vooralsnog weinig van te merken.
De cover van het boek van Dave Engel, met een foto van Dylan in het schoolalbum (1958)
Manager Debbie heeft intussen niet stilgezeten, of we met Steve Jurenes willen praten, zijn zus is getrouwd met David, de zes jaar jongere broer van Dylan. Wow, we zitten al bij de aangetrouwde familie, straks spreken we nog met His Masters Voice zelf.
Steve heeft van zijn werk een uurtje vrijaf gekregen voor dit gesprek, hij schudt ons hartelijk de hand, en met een haast naïeve openhartigheid ("So, what can I do for you guys?!) zal hij gelijk over de familie vertellen. Dat Dylan nooit de verjaardag van z’n moeder vergeet, dat hij geregeld het graf van zijn vader in Duluth bezoekt en dat hij ook nog wel eens door Hibbing toert omdat een oom hier nog in de buurt woont. En geloof niet diegenen die zeggen dat hij dan in een zwarte limousine met donkere ramen rijdt, dat is flauwekul, zegt Steve. Dylan rijdt in een pick up zoals er buiten op de parking wel tién staan. Hij rijdt altijd in gewone wagens, he’s a real down to earth guy, heel gewoon, heel onopvallend, en dat maakt dat hij weinig herkend wordt, hij heeft daarvoor geen limousine nodig. Steve ging met hem een keer naar een football match, ‘Dylan droeg toen dezelfde kleren als op de hoes van één van zijn albums, het was dat vestje van Street Legal, en dan nog herkenden de mensen hem niet.’ Het ligt ook wel aan Minnesota, zegt Steve, zelfs als ze hem herkennen, zullen ze zich nooit aan ‘m opdringen, ‘zo zijn ze hier’. Vandaar dat Dylan hier ook wil wonen, op drie plaatsen in de VS heeft hij een huis, één daarvan is een boerderij in Minnesota, een eind buiten Minneapolis. Steve heeft er met zijn vrouw één zomer verbleven om op de kinderen van Dylan te passen. ‘Het was een fijne plek, hij had er eenden en schapen en varkens lopen, de geiten sprongen op zijn auto en zijn kinderen holden achter de biggen aan, we had a great time!’
‘Dylan heeft die boerderij laten ombouwen tot een groot woonhuis, het is een farm met een traditioneel zadeldak en met een groot venster dat uitkijkt op een kreek, ùren kon hij aan dat venster zitten kijken. Die woonplaats is something special. Tegen de onderkant van het plafond zit stro, net alsof iemand de bussels naar het plafond heeft gegooid; er is een fantastische open haard helemaal in rots en natuursteen, als verlichting hangt er een karrewiel met lampen, en in het midden van die grote woonruimte staat een wagon wheel dat als tafel dienst doet, met ergens ook nog een wegwijzer naar Highway 61 (Dylan maakte in 1965 het album Highway 61 Revisited,jh). Vlakbij de boerderij heeft hij ook een ruimte ingericht als recording studio, daar zat hij vaak te schrijven, maar hij vertelde nooit waarmee hij bezig was. Op die boerderij had hij ook zijn collecties staan, zijn verzameling oldtimers en ook paardjes van oude kermismolens. Wij woonden met zijn kinderen in een apart huisje en als er onbekende bezoekers op het erf kwamen, moesten we die afwimpelen. Je had van die fans die pal in ons gezicht zegden, 'we know Bob Dylan lives here', en dan zegden wij, Bob who??? In het dorp doen ze net hetzelfde, het is zo’n plaatsje met een paar honderd inwoners, één main street en één liquor store, iedereen weet dat Bob Dylan die farm heeft, maar niemand zal iets over hem vertellen, niemand zal een vreemdeling de weg wijzen, ze respecteren zijn privacy.
Met nonkel Bob in de keuken
Als er familiefeestjes zijn, wordt er dan soms over zijn muziek of optredens gesproken? Nooit, zegt Steve, onder familie wordt alleen over family matters gesproken. Wat je wel kan doen, is hem plagen. Hi, Bob, ik heb gehoord dat je platen maakt en dat je hier en daar optreedt, je begint een beetje bekend te worden, hoor ik. Dat kan hij pruimen, maar je moet ‘m nooit naar de inhoud van zijn laatste album vragen, that’s not done. Of vragen om gitaar te spelen, dat is helemaal not done. Ik heb ‘m trouwens nog nooit in familiekring zien spelen. Op die familiefeestjes is hij ook geen luidruchtige nonkel Bob. Meestal neemt hij een stoel en gaat hij in de keuken zitten, daar waar weinig mensen zijn. Maar hij is benaderbaar, hij praat, en als ik ‘m in één woord zou moeten omschrijven, dan zou ik zeggen dat hij écht is, he’s genuine. Als hij tegen je zegt, nice talking to you, dan meent hij dat. Maar je voelt ook wel dat hij anders is, dat hij intellectueel sterker is, he’s different from the crowd, he’s an artist. ‘
Steve weet ook wel dat hij amper met journalisten praat, dat hij amper te benaderen is en dat interviews met hem cryptisch of heel oppervlakkig kunnen zijn: ‘Zo is hij met de media, maar zo is hij niet met zijn familie omdat wij ‘maar’ familie zijn, wij laten hem gerust, wij zitten niet op zijn huid.’
Of Steve weet waarom hij in ’97 voor de paus van Rome is opgetreden? ‘Ik denk dat hij veel respect had voor de paus, hij ziet ‘m als een staatsman, als een president, als een belangrijke man in de wereld, en ik denk dat hij het een eer vond om voor ‘m op te treden. Veel mensen zijn daarover gestruikeld dat de rebel Dylan voor zo’n conservatief wilde optreden, maar ik denk dat Dylan niet meer zo rebels is, ik heb de indruk dat hij na zijn scheiding in ‘77 een stuk behoudsgezinder is geworden. Hij is ook nog een tijdje Born Again Christian geweest eind van die jaren zeventig, dat is wel voorbijgewaaid. Dat was meer iets dat hij wilde proberen zoals het verzamelen van die oldtimers en die kermispaardjes. Wanneer dat voorbij was, was het definitief voorbij.'
Excuses voor het boegeroep
'Al die kritiek op dat christen zijn en dat spelen voor de paus, dat raakt ‘m niet, dat glijdt van hem af. Als iets ‘m echt geraakt heeft, dan denk ik nog altijd dat het die twee optredens in de high school zijn geweest, toen hij daar in het auditorium werd uitgejouwd. Hij was dan wel die coole rocker in die leren jekker, tegelijk was hij nog jong en kwetsbaar en hij heeft dat heel persoonlijk opgenomen. Het feit dat hij zich zo weinig in Hibbing vertoont, of geen memorabilia wil schenken aan de stad heeft daar zeker mee te maken. Een inwoner heeft al voorgesteld om een straat naar hem te noemen, die man is door het stadsbestuur weggelachen, en hij weet dat, hij komt dat te weten, en het maakt hem niet milder tegenover Hibbing.
Toch heeft Hibbing nog een plek in zijn hart, dat weet ik zeker. Maar hij zit met die hard feelings, ergens voelt hij zich uitgejouwd en aan de deur gezet door Hibbing. Het lijkt er soms op dat hij nog altijd op een excuus zit te wachten.’
Moeten ze het auditorium van de high school naar hem noemen? Dat kan hij toch ook als hypocriet ervaren? ‘Zo’n gebaar zou toch betekenen dat ze hem terug willen, ik denk dat hij het een eer zou vinden.'
Spookbestaan
Steve vraagt of Dylan ‘big is in Belgium’? Ik vertel ‘m onder andere dat zijn naam vaak in interviews opduikt omdat artiesten bij hem zoveel inspiratie vinden. En dat ik in mijn eigen hometown Deurne een uitstekende tribute-band hoorde spelen: Roland, Guy Swinnen, Kris De Bruyne, Jan Hautekiet, Patrick Riguelle, Bruno Deneckere en Wannes Van De Velde, zes artiesten die een hele avond Dylan-covers brachten puur als hommage aan hun held. Steve schudt zijn hoofd: "In Hibbing beseffen ze niet half hoe groot hij wel is. Outside he is a hero, here he is a ghost’. Iedereen weet van zijn bestaan en zijn beroemdheid, maar omdat niemand ‘m hier ziet of hoort, is het alsof hij niet echt bestaat voor dit stadje’.
Steve zelf weet maar al te zeker dat Dylan bestaat, ‘ik heb ooit een aanrijding met ‘m gehad! We waren op de verjaardag van zijn moeder, en ik had toen net een nieuwe wagen. Ik was gek op die auto, ik poetste en boende hem elke dag en Dylan had me nog geplaagd, hé Steve, wat zou je ervan vinden als ik ertegen zou botsen?’ Een tijdje later ging hij naar huis, maar vijf minuten daarop stond hij weer in de keuken, helemaal bleek en bedremmeld: Steve, je zal me niet geloven, maar ik ben per ongeluk tegen je auto gereden en de grill en de bumper zijn nogal geraakt. Ik zakte door de grond, ik dacht dat ik dood ging, maar ik ging niet dood en ik ben zelfs niet kwaad op ‘m geworden, you can’t be angry on Bob Dylan, can you? En ik weet nog dat ik met die kapotte grill in de garage kwam en dat die man zei: ‘Ik heb net telefoon gehad van de man die uw schade gaat betalen, en hij zei dat hij Bob Dylan was. Dat kan niet, hé?! Nee, heb ik gezegd, dat kan niet.’
De overweg waar Dylan bijna dodelijk verongelukte. Vroeger was er nog een dubbel spoor. © Stephan Vanfleteren (scan uit Humo)
De laatste morgen in Hibbing gaan we naar de plek die Leroy Hoikkala ons gewezen heeft, de overweg waar Bobby Zimmerman in 1958 met zijn motor bijna onder de trein, bijna blood on the tracks is geweest. Eén halve meter verder en er was geen sprake van hem. Op de railroad crossing van Brooklyn is het min veertien, wind jaagt de ritselende sneeuwvlokken over de overweg, en dan komen plots de koplampen van een goederentrein uit de verte . We horen het stampen van de diesel en het heldere geluid van de bel op de locomotief, hij fluit en fluit en komt traag, traag dichterbij. Pas na vijf volle minuten is hij aan de overweg, de machinist zwaait, we zwaaien terug, dan duikelen we uit die bittere kou als gek weer in de warme auto. En we weten het zeker. Met die slow train coming heeft Dylan een teken gegeven. Met die wind and snow in the north country fair was hij terug in Hibbing.
* * * * *
Nawoord (1) : Drummer Leroy Hoikkala is intussen gestorven: op 29 april 2020.
(2) In Hibbing is toch een en ander beginnen bewegen rond Bob Dylan. Vooral na 2016 toen hij de Nobelprijs kreeg. Voor de Hibbing High School is een herdenkingsmonument opgericht,. (Zie hieronder(. Larry Furlong en zijn dochter waren mede-initiatiefnemers.
Hieronder: pas later gelezen. Heerlijke compilatie van Dylan-ontmoetingen met vooral onbekende fans -hopelijk online nog te vinden?