Yo de dobbermannen! Bekende Vissers (BV’s) over hun watersport

Vanaf 4 mei zijn individuele sporten weer toegelaten, zoals tennis, golf, kajakken, paardrijden, én ook: hengelen.
Het is mogelijk niet de eerste sport die u wil beoefenen, maar ik kan ze alleen maar aanbevelen.
Hengelen wordt vaak gezien als banale visvangst, maar hengelen is veel meer. Hengelen is contemplatief. Hengelen is meditatief.
Terwijl het oog zich concentreert op de dobber kan de geest rustig afdrijven. Naar de geluiden in de natuur. Naar een denken over de wijdere wereld.
Het is old skool mindfulness, al van in de tijd dat een rieten bak achterop een brommer past!  

Om de lezer met enige pre-fishing van dienst te zijn, komen hier zes Bekende Vissers (BV’s) aan het woord. Ze spreken Nederlands en visserslatijn.

Humo mei 2002 (ingekort en bewerkt) - © Jan Hertoghs

Stille waters, groene botten: Jan Eelen, Lucas Van den Eynde, Bob Peeters, Mark Uytterhoeven, Alex Czerniatynski, Herman Van Molle

Bronnen zeggen ons dat er in Vlaanderen en Wallonië nog zo’n vierhonderdduizend vissers zijn, maar zeg mij, ziet u ze nog in het straatbeeld?! Nee, vrienden, want ze bewegen zich in het schemerdonker, ze beoefenen hun sport in stilte omdat hun tijdverdrijf door velen beschouwd wordt als dom, saai en/of onnozel. Om aan deze toestand een kordaat einde te maken hebben we zes Bekende Vissers verzocht om zich te outen. 

Jan Eelen en Lucas Van den Eynde. (Ingescande foto uit Humo)

Jan Eelen en Lucas Van den Eynde. (Ingescande foto uit Humo)

Jan Eelen (regisseur van o.a. In de Gloria, Vaneigens) en Lucas Van den Eynde (acteur van o.a. In de Gloria alsook zanger in Jukebox 2000) zijn beide al jaren verknocht aan de hengelsport.
Lucas: «De opwinding als je dobber onder water schiet, is toch heel bijzonder. Die hengel buigt, die lijn spant, je ziet die vis zich roeren onder het water, je weet nog niet wàt het is maar aan de kolken zie je al dat het geen kleintje zal zijn, en dan dat moment dat je die kop boven water haalt, dat is fantastisch!"
Jan: «Zeker met een karper, die spartelt fel tegen, die slaat met staart en lijf, je hebt ‘m bijna en je moet ‘m weer vijf meter laten gaan, de mens die vecht met een spartelende vis, dat is zo’n oud beeld, ik vind dat heel schoon." 
Lucas: «Ook heel die sfeer van vroeg opstaan, en met je gerief door een stil dorp fietsen, en dan aankomen bij dat water dat nog rustig is en waarop de nevel drijft, dat hééft toch iets."
Jan: «Uitsmijten vind ik ook geweldig, dat zwiepen van die lijn en hoe dat lood en aas dan dertig meter verder met een plons in het water verdwijnen."
Lucas: «Het ergste is natuurlijk als de haak bij het weer inhalen achter een tak of een steen blijft haken. Bij mijn vader gebeurde dat dikwijls en dan kon ik mijn broek en schoenen uittrekken en met mijn onderbroek in water van tien graden stappen om dat tuig los te maken."
Jan: «Dat is zo, je wil dat niet kwijt. Zo’n hengelgerief heeft een eigen charme. Ik heb al plezier als ik dat gerief aan het inpakken ben. De avond tevoren kijk je alles na, je herstelt een lijntje, je probeert een nieuw dobbertje in een emmer water, je kneedt wat lokaas. In dat bezig zijn zit al die kleine vreugde van ‘t gaat iets bijzonders worden morgen."

Bompa Karper! De schrik van de vijver in Kessel-Lo.

Jan: «Ik fantaseer tijdens het vissen ook veel over wat er onderwater gebeurt. Ik zie dan echt families van vissen voorbij mijn haak zwemmen, vaders, moeders, kinderen, zo’n heel verkeer van vissen, en sommigen zijn loom en tam, maar ginder komen er drie aan die nog niet gegeten hebben, en ze gaan toehappen, maar ineens komt een vierde aangezwommen, pas op mannen, van die patat moet ge afblijven! (lacht) Dat onderwater-fantaseren, dat doe ik graag."
Lucas: «En binnensmonds praten tegen die vis! Komaan vriend, bijt maar ‘s goed door, ja trek ‘m maar naar beneden, ja, ja! “
Humo: Maak je je soms kwaad op de vis?
Lucas: «Vissers maken zich doorgaans alleen maar kwaad op plezierboten die te dicht bij hun lijn varen, (roept) maar allez, is da kanaal nie groot genoeg? Da ge ier moet kome veiren! Oe is da na meugelek?! Vandaar is natuurlijk wel dat beeld ontstaan van de nurkse visser, de in zichzelf gekeerde vent van laat-mij-gerust! En ergens klopt dat beeld ook. Neem de toevallige voorbijganger. Je hoort zijn stappen naderen op de dijk... ai, ze houden halt, en dan die eeuwige vraag, bijten ze? Dan denk ik in mijn binnenste: wandel toch verder, maat!”
Humo: Wat was de eerste hengelervaring waarbij je dacht, dit is iets voor mij?
Jan: «Ik heb als kind in North Carolina (VS) gewoond, dat huis lag bij een meer, en in dat huis lag visgerief en van zo gauw ik die hengel in het water smeet, had dat spel me beet en ben ik nooit meer gestopt. Een paar jaar later verhuisden we naar Kessel-Lo en daar kocht ik me gelijk een abonnement voor de gemeentelijke vijver. Om zes uur mocht je beginnen en om vijf uur ‘s morgens reed ik er al heen om een goed plekje te zoeken. Dan zat ik daar klaar met mijn hengel, en paf om klokke zes, smeet ik in. Die vijver van Kessel-Lo had iets magisch. Ergens in dat water zwom Bompa Karper, een heel ouwe karper die niét te vangen was en die ieders lijn aan stukken trok. Als je dan zwaar beet had, dan was er elke keer die vrees, oh nee, ‘t zal dien duvel toch niet zijn!" 
Lucas: «Ik had al stekelbaarsjes en salamanders gevangen in de beek, maar het echte hengelen is bij mij begonnen toen ik de eerste keer ging vissen met mijn vader. Ik vind vissen een echt vader-zoon-avontuur, het samen iets meemaken aan het water. Als ik daaraan terugdenk, zie ik altijd die striptekeningen van Piet Fluwijn & Bolleke."
Jan: «De Avonturen van Een Vader en Een Zoon!"
Humo: Toen werd er nog gehengeld in de strips. Lambik ging vroeger ook vaak vissen.
Jan: «Hengelen heeft die stempel “van vroeger” behouden. Ik zie weinig jonge hengelaars aan de waterkant. Vaak is het toch de ouwe man met al zijn pottekes en dozekes, en daarnaast onder de grote paraplu, de madam die zit te breien met de thermos naast de klapstoel.”(Recent onderzoek geeft aan dat het felle karperhengelen een nieuw en jong publiek heeft aangetrokken,jh)"

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Humo: Zijn jullie materiaalfreaks?  
Lucas: « Nee, maar ik vind het wél een plezier om door een hengelwinkel te lopen. Al dat nieuwe, al dat glanzende, al die kleuren door elkaar, dat is schoon. Of neem zo’n molen van een werphengel, dat klik-klik-klik, dat is toch een lekker geluid.”
Jan: «Je mag wat gerief hebben maar het moet simpel blijven. Ik heb ooit karpermannen gezien in Frankrijk, die hadden hun lijnen uit en die kropen daarna in hun tentje om alles op het beeldscherm te volgen, ze zagen hun aas, ze zagen of er grote of kleine karpers op afkwamen, dat is geen hengelen meer.”
Humo: Voeren jullie lokaas?
Lucas: « Ik doe het niet meer; de vis moet zo maar naar mijn aas komen. Ik heb een afkeer van lokaas gekregen op vroegere visprijskampen. Vijftig vissers op anderhalve meter van elkaar, het fluitsignaal gaat, die hengels gaan in het water, en bwaaf dan vliegen de bollen, klotten en hompen je om de oren, gigantische hoeveelheden lokaas, die vis wordt bedolven onder de chapelure en de duivenstront."
De onbedorvenheid van de jonge ochtend           
En zo gaat het al gauw over hoe we zelf vissen, en dat karpers zo’n vechters zijn. En dat de louw (“zeg niet te gauw, het is weer een louw”) ook een vechtjas is, maar eens zijn bek boven water, is hij zo mak als een sardien in een dozeke. En de brasem, een stevige knaap, maar hij smeert je schepnet vol slijm! En paling, als die bijt zit er precies elektriciteit op je draad.  En snoek, die is te vangen in een patattenzak met brood erin! En terwijl we ons  verliezen in het ophalen van vis en herinneringen, haalt Eelen zijn twaalfdelige Bibliotheek voor de Sportvisser uit de kast, stijfkartonnen boekjes uit de jaren zestig met titels als Vang Ruisvoorn! Vang Karper! Vang Brasem!, en voor de beginners: Vang aan! Met teksten die vràgen om plechtig voorgedragen te worden: Onze bekoring is de stilte van een zomerdag, de wijdheid van de blauwe lucht, het wuiven van het riet, het klotsen van de golfjes tegen de oude boot, het roepen van een verre vogel, de onbedorvenheid van de jonge ochtend, het wonder van de dobber, het geduld dat vroeg of laat wordt beloond, dat alles maakt dat men zich gelukkig prijst een hengelaar te zijn! We lachen met dat hoogdravende, maar we weten dat het wààr is. 
Het verslavende lijntje
Jan: «Mijn moeder heeft dat vissen van mij nooit begrepen. Ik was een hyperactief kind, ik kon nooit stilzitten, maar om te vissen kan ik ùren zitten zonder te bewegen! Ik begrijp nog steeds niet hoe dat komt, want ik heb dat nog. Een half uur op het strand liggen kan ik niet, maar zes uur staan vissen kan ik makkelijk. Je staat daar met die lijn, de zon brandt op je kop en je blote schouders…”
Lucas: «… je zou je eigenlijk moeten insmeren, maar je denkt nog één keer ingooien en dan heb ik ‘m, en je gooit weer in, en je wacht weer op een beet, en intussen sta je daar te verbranden. En na anderhalf uur heb je hem nog niet, en dan roept je vriendin om te komen eten. Allez! Hij is juist aan ‘t bijten! Efkes! Nog vijf minuutjes!"  
Humo: Dat niet kunnen stoppen is het beste bewijs hoe obsessief en bijna-verslavend hengelen is. Met lezen kan je soms ook niet stoppen, maar dat is anders, dat boek loopt niet weg. Met vissen is het: nù moet het gebeuren, want die vis komt nooit meer terug.
Lucas: «Je kan gewoon niet weg van die hengel. Als gastje van twaalf had ik dat heel erg. Ik kon niet stoppen, ik wou niet stoppen. Een lijn die kapotging, dat was een ramp. Dan was het lopen naar de winkel om een nieuwe lijn, het zweet in je botten, en gauw terug naar die stek, want daar waren intussen natuurlijk honderd vissen langs gezwommen die allemaal goesting hadden om te bijten!"
Jan: «Ik vis ook altijd tot het allerlaatste ogenblik. Zelfs al ben ik mijn gerief aan het inpakken, dan nog zal ik één lijntje in het water laten liggen; er moest er maar eens eentje bijten (luide bijval en herkenning)! 
Humo: Of je besluit “ik tel tot honderd en als ik dan geen beet heb gehad, dan ben ik weg”. Maar het wordt niks bij honderd en dan zeg je: ik tel tot vijftig en als ik dan geen…
Lucas: «Jà! En op de duur is het zo donker dat je je dobber niet meer kan zien."
Jan: «Stoppen is zo moeilijk omdat het elk moment kan gebeuren. Zoals bij voetballen. Elke seconde kan er een goal vallen, elke seconde kan er een vis aan je haak hangen." 
Lucas: «Ik viste als kind soms zo’n lange dagen dat ik -wanneer ik in bed kroop en mijn ogen sloot- nog die dobber voor mijn ogen zag, zo hévig was dat bij mij. En nu is dat verminderd, maar om het even waar ik op reis ga, ik heb nog altijd een hengel bij me.”

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Viskes gebakken    
Jan: «Het moet oeroud zijn, dat instinct om te jagen, om iets te vangen. Hoewel. Ik zal nooit van mijn leven met een geweer in een bos gaan om een hert dood te schieten. Dat wil ik niet, maar iets jagen in het water, dat wil ik wel. Ook al omdat ik die vis nadien levend kan terugzetten in dat water. Zo’n dood hert, dat blijft dood, dat zet je niet terug in dat bos."
Lucas: «Ik zet ook alle vissen terug. Of het zou een forel uit een Zuid-Frans riviertje moeten zijn, die durf ik opeten! Ik herinner me nog de eerste keer dat ik een forel at die ik zelf gevangen had, ik was de koning te rijk. Maar eigenlijk eet ik nooit wat ik gevangen heb. Een dooie vis vind ik zelfs moeilijk om te zien. Of een stervende, nog erger! Zo’n vis die je niet snel genoeg onthaakt, en die een meter verder ligt te kantelen en dood te gaan, dat is niet om aan te zien.
Wat ik ook niet kàn zien zijn documentaires over vissersboten, dat ze honderden vissen en krabben op dat ijzeren dek storten, en dat ze zo brutaal aan hun einde komen. Sommige zijn ook te klein of niet geschikt voor consumptie, en dat ligt daar allemaal dood te gaan op dat dek, ik kan dat niet zien."
Humo: Vissen kunnen taai zijn. Mijn broer en ik hebben -veertien jaar zijnde- eens een karper van drie kg op de fiets meegenomen. Hij zat in een ijzeren leefnet en onder de snelbinder(!) en hij lééfde nog na vijf km fietsen.
Jan: «Ik deed dat vroeger ook, zo’n brasem of voorn mee naar huis nemen. Een vriend van mij had thuis een vijver en daar zetten we de vis dan in. Zo’n rietvoorn met zijn gouden schubben en rooie vinnen, dat is echt een schoon viske. Aan zee nam ik ook visjes mee. Op de pier kon je vroeger met een kruisnet vissen, als je dat optakelde, zat er al eens een krab of een pladijsje in. Dat nam je dan mee in je plastic emmertje, en op het appartement vulde je de lavabo met zeewater om die vis of die krab nog een tijd te kunnen bezig zien. Ik kon daar lang naar kijken.
Ik vis nu nog graag aan zee. In Spanje heb je van die rotskust met kleine strandjes, ik koop wat calamares bij de visboer, ik hang het aan m’n lancée, en ik loop een paar kilometer zalig op mijn eentje te vissen. De golven op de rotsen, die geur van zeewater op steen, dat is fantastisch. En af en toe kom ik wat draad en lood tegen, en dan denk ik, tiens hier is nog iemand geweest!"

Ingescande montage-foto uit Humo

Ingescande montage-foto uit Humo

Bob Peeters: foreldenker
Roda JC-voetballer Bob Peeters zag ik hengelen in het tv-programma Stadion. Hij zat bij een visput, hing wormen aan de haak, en strooide moppen in het rond. Over een visser die méér ving als hij met zijn blote pietje in het water ging staan
«Ik ga al vanaf mijn twee jaar vissen met mijn vader en ik heb heel goeie herinneringen aan die uitstappen naar de Oosterschelde. Om vijf uur vertrokken we bij ons in Wommelgem, de grens over, stoppen bij het eerste gazettenwinkeltje om wormen te kopen, ze zaten in een gazet verpakt, en hup de boot op om te vissen. Soms visten we vanop de oever op pladijs en zo hebben we iets bijzonder meegemaakt. We gingen ermee stoppen omdat het die dag niks werd, de maat van mijn vader spoelt zijn lijn terug, hé d’r hangt iets aan, een pladijs, nee, veel zwaarder, en toen zag ik het, er hing een zeehond aan! Met die pladijs in zijn bek! En gelijk daarna brak die lijn, en zag je nog juist hoe hij die vis omhoog gooide en binnen speelde. Schitterend jong! Maar tegen wie vertel je zoiets ongelooflijk? Schrijf dat maar in uw artikel, zoiets maken we nooit meer mee in ons leven! 
Ik ben met Roda JC ook één keer naar Suriname gereisd en toen zijn we gaan vissen op piranha’s! Dat was simpel, een bamboestok, een draad eraan met een aasvisje en ze bijten. Ik was de enige die de piranha’s zelf van de draad pakte, geen prutsviskes zoals in de film hé, zo’n gusten! Je pakt ze bij een vin en dan laten ze los, en zo heb ik ook die vlijmscherpe tanden gezien, scheermesjes die constant klappertanden.
Ik kan ook wachten, ik kan uren stilzitten, ik geniet daar ook van. Terwijl ik die dobber geen seconde uit het oog verlies, denk ik aan alles en nog wat, ik laat het allemaal de vrije loop, de gedachten komen aangewaaid en drijven weer weg, en ik heb me daar altijd goéd bij gevoeld. Zet mij bij het water met een hengel, en ik ontspan me helemaal.
Mijn ouders hebben een verblijfje op een camping in Luxemburg, met een meer erbij en daar heb ik op de forel leren gaan. Ik heb die vis echt geobserveerd. De plekjes waar hij zich schuilhoudt, zijn bewegingen, zijn gedragspatroon, àlles! (Glimlacht) ik weet nu hoe een forel dénkt. En hoe ik hem kan verschalken. 
Eigenlijk ga ik alleen maar vissen met mijn vader. Sinds ik in Holland voetbal zie ik mijn ouders minder, en dan is zo’n dagje vissen prima. Je lacht en je zwanst, je haalt herinneringen op aan vroeger, jeugdmatchen die je gespeeld hebt, hoe het was om in de auto ernaartoe te rijden, en dat is voor mij het fijne aan hengelen: aan het water kan ik de band met mijn vader veel dichter aanhalen dan wanneer ik een hele dag thuis op de koffie zou zitten."

Ingescande montage-foto uit Humo

Ingescande montage-foto uit Humo

Alex Czerniatynski: een monster van 35 kg
De vroegere oe-ah-Czernia!-topvoetballer van Anderlecht en Antwerp is nu jeugdtrainer bij nog een ex-club, KV Mechelen. Czernia is al langer visser dan voetballer.
«Ik was negen toen ik een eerste keer ging vissen met mijn peter. Hij had me een kleine werphengel gegeven om op forel te vissen, de vis beet goed die ene dag en ik had de microbe gelijk te pakken. Ik ben toen ook op m’n eentje beginnen vissen, en alsmaar vroeger in de ochtend. Dan zette ik mijn wekker om twee uur, en dan lag ik om één uur ‘s nachts al met open ogen, niet meer kunnen slapen van de opwinding. Om bij het water te komen moest ik bijna een half uur fietsen waarvan tien minuten door een pikkedonker bos. Dat was toen in Charleroi, daar zijn later erge dingen gebeurd, en mijn moeder heeft me al dikwijls gezegd, jij was vroeger zot, een kind alleen in een donker bos! 
Van nature ben ik nerveus, en ik moet kunnen hengelen om die spanning uit mijn lijf te krijgen. Toen ik profvoetballer was, zorgde ik ervoor dat ik minstens één dag per week ging vissen om die spanning na een wedstrijd kwijt te raken.
Het liefste ga ik op zee. Met een vriend ga ik elk jaar zo’n tien dagen vissen in Quimper (Bretagne). Dag én nacht. We beginnen om twee uur in de morgen, we nemen pauze in de namiddag tussen twee en vijf, en daarna gaan we weer op de boot tot diep in de nacht. Zo heb ik voor de eerste keer ook kongeraal opgehaald. Ik ben 1m85 en die vis was 1m 80! Dat is geen vis meer, dat is een slang. Een boa constricteur, een monster van 35 kilo! Mijn vriend had me verwittigd, stop je hand niet in die bek, want je ziet ze nooit meer terug! Hij stak eens de steel van een schop naar binnen en hij kreeg ze niet meer los, dat was als een pitbull. En véchten als je ze aan de lijn hebt! Ik heb dat graag, ik wil dat gevecht aangaan tussen man en vis
Mijn droom is om een keer naar Californië te gaan voor big game fishing.  Zo’n blauwe of zwarte marlijn (zwaardvis) uit het water halen, dat moet fantastisch zijn, ik heb het op Eurosport gezien, als die vis aan de haak zit, dan springt hij gelijk een dolfijn door de lucht.
Wat ik niet wil, is aan een put zitten voor een prijskamp. Er zijn teveel mensen, en er liggen zoveel bouletten lokaas in het water dat je over het water kan gààn! De oom van mijn vrouw is zo’n prijskampvisser en hij heeft een geheim recept van een heel goed lokaas. De avond voor de prijskamp bereidt hij zijn recept en trekt hij zich terug in zijn kelder! En! Hij doet de deur op slot! In zijn eigen huis! Gewoon uit schrik dat één van zijn zonen het te weten komt, want zij doen ook mee aan die prijskamp. 
Ik ken veel voetballers die vissen: Gilbert Bodart, Georges Grün, Vital Borkelmans, Lorenzo Staelens, Mike Verstraeten, allemaal vissers."

Ingescande foto uit Humo

Ingescande foto uit Humo

Mark Uytterhoeven: bijna de dochter van een hengelaar aan de haak
De supporter van KV Mechelen (Malinwa) is zwaar uit zijn lood. Zijn club is midscheeps geraakt, de licentie is geweigerd, in plaats van een rush naar eerste, dreigt de afgrond van derde klasse. Alweer een reden om op de lotte en de karper te spelen.
“Beginnen met hengelen was niet moeilijk, ik woonde op 150 meter van een betalende visvijver, de Montreal. Er was wel een draad rond, maar draad dient alleen maar opdat kleine jongetjes eronder zouden kruipen, en op de zeer steile oever visten wij dan, de bamboestok in de ene hand, en de andere hand rond een boompje geslagen om niet in het water te vallen. We vingen karper, paling en zonnebaars. Die karpers kregen veel oud brood toegeworpen van de omwonende gezinnen, die waren niet in het minst achterdochtig naar een korstje, en wij visten die vetgemeste kleppers dan uit het water, dat was geen hengelen meer, dat was beenhouwerij.
“Het verwondert mij toch dat onze jongen zo ineens tot de vissport komt”,
 zei mijn vader wel eens gemaakt ernstig tegen mijn moeder, dat was plagen, want zij had vroeger nog verkering gehad met een visser. Overigens! De vader van mijn eerste lief was ook een sportvisser.
De grootste vis die ik ooit heb gevangen was een snoek van 62,5 cm. Ik was toen zeventien en volgens mijn maatje werd ik zo melkwit als de buik van die snoek. Ik was ook echt geschrokken. Zoals die vis vocht en sprongen boven water maakte, dat had ik nooit meegemaakt.
Ik heb het wel niet voor zeehengelen. Onze beminde Herman Vanspringel is bijvoorbeeld een verwoed zeevisser, maar zes haken aan één lijn, en als je ophaalt, hangt er een kerstboom vissen aan de draad, dat is niks voor mij. Het moet een tikje subtieler: een  vliegje aan de lijn, wat forel en vlagzalm in de buurt, daar hou ik meer van. Zjef Vanuytsel heeft me ooit nog de knepen van het vliegvissen bijgebracht.
Humo: Fredje Deburggraeve en Chris Van den Durpel zijn ook hengelaars.  
Frank Vandenbroucke 
is het ook. Hij had bijvoorbeeld De Ronde van de Middellandse Zee gewonnen, ik interview hem, en van zodra dat gesprek gedaan was, ging het niet meer over de koers maar over De Karper. Vandenbroucke is een carpiste, een echte karpermaniakToen hij zijn villa bouwde in Ploegsteert, heeft hij ook een visvijver laten graven bij dat huis. “Carpisten” zijn een ras apart. Die kunnen drie dagen stilzitten bij een lijn om de vierde dag een vis te vangen. Dat is niet aan mij besteed. Ik ben te rusteloos. Ik wil kunnen gaan en die vis opsporen in het water. Dat heet het lezen van het water, dat je naar de kringen kijkt en de opstijgende luchtbelletjes om te zien welke vis er zit.
Dé beloning om te blijven hengelen, ook als je ouder wordt, is nog altijd dat ene moment wanneer je in die nylonlijn ineens een trilling van leven voelt. Dat bijten van die vis, dat blijft nog steeds magnifiek."

Ingescande foto uit Humo/ © Stephan Peleman 2002

Ingescande foto uit Humo/ © Stephan Peleman 2002

Herman Van Molle: het ondeelbare geluk van de Einzelgänger
Hij toont een breekbaar boekje over snoeken en baarzen, de zinnen met potlood onderlijnd, die heeft hij ooit als scholier overgeschreven voor een spreekbeurt. Toen al was hij de enige hengelaar in zijn klas en nu nog is hij zowat de enige Bekende Visser in Vlaanderen. Hengelen wordt beschouwd als een hobby van de werkmens, zegt Van Molle, vandaar dat zo weinigen zich ermee willen vereenzelvigen.
«Op een zondag is mijn vader zomaar beginnen palingvissen. Op de Molenbeek in Lede en later op het Donkmeer van Berlare. Zondag na zondag zaten we daar en nooit vingen we wat. Het was zo erg dat ik bad tot God: alstublieft God, maak dat wij toch één visje vangen. En mijn gebed werd verhoord, zij het nog enkele zondagen làter: het was een palinkje zo dun als een potlood, maar het was een VIS, en van dan af was ik verkocht, en ben ik ook algauw op mijn eentje gaan vissen. 
Ik wil overal vissen behalve aan zee of bij een groot meer. Dat is te onoverzichtelijk, daar weet ik de vis niet te vinden. Er is ook nog een andere reden: ik ben geen goeie zwemmer, ik heb eigenlijk schrik van het water.
Ik kan me wel met élke vis amuseren. Neem de brasem, die noemen ze de dweil onder de vissen omdat hij zogezegd sloom is en makkelijk te verschalken, maar ik heb in Denemarken brasems gehad die zich haaks op de stroom zetten, dan ben je algauw een kwartier bezig om die “dweil” op te halen. Ik kan me ook amuseren met kleine bliekjes (=blankvoorn), tàk, tàk, tàk, dat is snel aanslaan, dat is een zuivere oefening in reactiesnelheid.
De schoonheid van het hengelen zit ook in dat bijten van de vis. Dat tikje van de dobber, dat kunstaas dat ineens wég wordt getrokken, dat plotse contact met die vis, dat moet ik voélen. Ik heb ooit in ijs gevist, en met het nylonlijntje aan mijn wijsvinger geknoopt kon ik de vis voelen bijten in mijn vinger!"
Humo: Ben je een panvisser? Eet je je vis op?
Baars bijvoorbeeld, dat is zeer lekkere vis, die zal ik klaar maken als hij groot genoeg is, maar 98% van mijn vissen zet ik terug. Ik zal ze ook zomin mogelijk kwetsen, aan mijn haak knijp ik alle weerhaken plat."  
Humo: Een buitenstaander zal zeggen: als je dan toch alles terug zet, waarom kan je dan niet gewoon bij het water zitten en die vis met rust laten?
«De vraag is terecht, maar ik kan het niet. Het water is er nog altijd om te hengelen, vraag me niet waarom, jachtinstinct zeker?"

In Zweden kijkt niemand neer op hengelen.  

  Humo: Je zei dat je watervrees hebt. Ik hoorde dat je ooit bijna verdronk bij het hengelen.
«Dat was in Zweden. Ik droeg zo’n waadpak tot onder mijn oksels, ik viel en omdat ik het niet dichtgedaan had, stroomde het water langs boven erin, dat pak werd topzwaar, ik ben in een uiterste krachtinspanning nog overeind kunnen krabbelen, maar de onderstroom had me bijna meegesleurd. 
Zweden is een hengelland. Vanwege het vele water, maar ook omdat iedereen het doet. Niemand die erop neerkijkt. Daar moet men zich niet outen, hier wel. Ik word er in ons land ook op aangekeken, Herman-IQ-Van-Molle is een visser, toe maar! In België heeft hengelen een pejoratieve klank, iets dat alleen maar goed is voor de gewone man, voor de arbeider met zijn vrouw en zijn paraplu.
Hoogstens is er begrip voor vliegvissen in de Ardennen of zalmvissen in Ierland, daar valt intellectueel nog wat voor te zeggen. Niet toevallig zijn dat ook de dure, gesofisticeerde, meer snobistische zijtakken van de hengelsport die men accepteert. Maar dat gewone hengelen dat jij en ik doen, dat wordt nog altijd bij de volkse en dus domme sporten gecatalogeerd. 
Het haakje Johan
Terwijl het toch een sport is met magische momenten. Mijn Zweedse buurman zag op een hengelbeurs kunstaas met voornamen erin gegraveerd, en hij had het spinnertje met opschrift JOHAN gekocht voor zijn kleinzoon die Johan heet. Bon, die kleine wil daar op een dag toch ‘ns met dat spinnertje vissen, hij krijgt een grote snoek aan die haak, maar ineens clàc, lijn kapot, snoek weg, en Johan ontroostbaar vanwege het verlies van snoek én dierbaar spinnertje. Ter afleiding gaan ze een paar kilometer verderop vissen, en daar krijgt die Johan toch weer diezelfde snoek aan de lijn met datzelfde Johan-haakje nog in de bek! Dat is toch ongelooflijk! Zo’n snoek-met-haak gaat gewoonlijk twee dagen achter een steen zitten mokken, en deze bijt twee uur later twee kilometer verder in dezelfde haak van hetzelfde jongetje! Mijn buurman heeft er foto’s van, je ziet dat stralende kindergezicht, en je weet, dat ventje is voor zijn leven verkocht, die wil niks anders meer dan hengelen.
Ander verhaal. Ik sta op een steigertje in Zweden. Naast mij is een vader doende met zijn zoon, zij vissen niks, ik haal de ene voorn na de andere op. De vader komt schuchter bij mij staan, waaraan het zou kunnen liggen, zij niks en ik altijd prijs? 't Was een Finse familie, ik bekijk hun lijn, en hola, zij visten met een haak voor een haai, ik knoop een kleiner haakje aan die lijn, en tsjak, dat jongetje heeft gelijk beet, twee, drie vissen na mekaar. Die man heeft me thuis geïnviteerd, een glas erbij en blijven eten, en hij zei letterlijk dat ik hem “de gelukkigste dag van zijn leven had bezorgd.” Zijn kind kon vissen! Zijn taak op deze wereld was volbracht! Dat is toch fascinerend dat je mensen zo’n groot plezier kan doen met zoiets eenvoudig!”
Stille waters
Mijn filosofie omtrent mijn manier van hengelen heb ik de laatste jaren wel omgegooid. Vroeger racete ik naar een plas, ik gooide mijn hengels uit en ik moest vis hebben. Als ik niks ving, dan was dat een ramp, dan was ik kwaad, dan was mijn dag naar de vaantjes, dan was ik zelfs beschààmd dat het niks was geworden. Nu beleef ik het anders. Ik rij op mijn gemakje naar een viswater, ik loop langs de kant, ik lees het water om de vis te zoeken en vang ik na twee uur nog niks, dan is dat niet erg. Ik moet niet meer zo nodig wat vangen, ik ben bij het water geweest, ik heb gezien waar de vis zit, alles oké. Maar vroeger had ik het erg, mijn oud-lieven kunnen dat getuigen. Ik koerste duizend kilometer en terwijl de auto nog uitgepakt werd, stond ik al met mijn hengel aan de kant.
Ik beleef het nu ook helemaal alleen, ik vraag niemand meer om mee te gaan, en ik vertel het zelfs aan niemand als ik wat gevangen heb. Vroeger zou ik een snoek van tien kilo drie kilometer door het gras gesleept hebben om ‘m aan iemand te tonen en om een foto te laten maken. Maar dat is gedaan, want het valt toch altijd tegen. Ofwel val je op een leek die iets mummelt over "inderdaad, een grote vis", ofwel sta je bij een visser die bromt dat hij ooit een nog straffere snoek heeft gevangen.
Dus ik laat geen foto’s meer maken of iemand deelachtig zijn. Ik ben immers tot de slotsom gekomen dat al die gevoelens bij dat hengelen, het plezier, de opwinding, de fierheid, dat je die met niemand kan delen zonder dat ze aan glans verliezen. Dat Ondeelbare Geheim Dat Hengelen Is, ik hou het voor mezelf.
Humo: Ga je blijven hengelen? Totterdood?
«Ik zal je een pràchtig verhaal vertellen! In Zweden hebben ze een man gevonden, dood langs een rivier, met zijn hengel naast hem, en in zijn schepnet een waarlijk gigantische forel. Doodsoorzaak was een hartaanval, die man was allicht zo gegrepen door de grootte van die vis en door het moeizame binnenhalen ervan, dat zijn hart het begaf. Welnu, zo te sterven, dat wens ik mijzelf toe." 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Vorige
Vorige

75 jaar Buchenwald: de dodenmars en de dodentrein

Volgende
Volgende

Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (2)