Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (2)

Lees hier deel 1 van Quarantaine in oorlogstijd

"Boven mij zongen de Duitsers en ze stampten met hun botten op de vloer."

Jaan Cox (rechts boven) met ouders en familie.

Jaan Cox (rechts boven) met ouders en familie.

In oktober 1942 voerde de Duitse bezetter de verplichte tewerkstelling in. Tussen november 1942 en de zomer van 1944 werden ruim 189.000 jonge Belgen naar Duitsland gevoerd.
In heel het land verborgen vele duizenden onderduikers zich in uiteenlopende schuilplaatsen om aan die verplichting te ontsnappen.

Adriaan "Jaan" Cox (84) uit Kaulille (bij Bocholt) zat zes maand ondergedoken in een zandput in de bossen. «Wij waren thuis met tien kinderen, zes jongens en vier meisjes en vader was arbeider in de poeierfabriek, daar maakten ze schietkruit voor jachtwapens en zo. Wij waren al arm voor de oorlog begon. Ons huis stond niet in het dorp maar in de armenbeemd, zo noemden ze die afgelegen plek tussen de hei en de moerassen.
In 1944 begonnen de Duitsers jongens op te eisen die in 1924 geboren waren. Ik werkte toen in een fabriekske van goedkope handtassen en valiezen en mijn baas raadde mij aan van onder te duiken, dan was ik "weg" en zogezegd niet in staat om een oproepingsbevel in ontvangst te nemen. Ik ben toen een schuilplaats beginnen graven zoals ik dat gezien had bij de Bosrussen, zo noemden we de Russen die ondergedoken zaten in de Limburgse bossen. Dat waren krijgsgevangenen die door de Duitsers tewerkgesteld waren in de koolmijnen maar die gevlucht waren.
In Bocholt hebben er meerdere Bosrussen gezeten, ze kwamen van de mijnen van Waterschei en Winterslag. 't Was hier heel katholiek en de mensen waren bang van de kommunisten, maar omdat het sukkelaars waren, zijn ze hier goed beschermd geweest. Geen mens heeft ze verraden.(Er zouden in Limburg 2500 Russische krijgsgevangenen ondergedoken hebben gezeten.jh)
Ik was bevriend met drie Russen. Waaronder Iwan, die noemden wij Sjeanmarieken, dat was een heetloperke, een echte vrouwenzot. Hij liep op gekregen klompen die veel te groot waren, 't was meer struikelen dan stappen en dan zei hij: Iwan klompen nicht verstehen!
Nogal wat Russen hadden hun schuilplaats in een groot bosgebied dichtbij Bocholt. Eén plek wist ik zijn, maar dat was puur voor ingewijden. Eerst een bospaadje volgen tot aan dié boom en van aan die boom tien stappen opzij en dan stampen op de grond en ineens ging er in de hei een luik open! Zo goed verstopt dat die waren! Met vijf man zaten ze daarin, en dan heb ik dat goed afgekeken en precies nagemaakt wat ik gezien had.   

In het moeras
Mijn eerste kuil heb ik in de dijk van een afgetakt kanaal gegraven. Dat was op vijfhonderd meter van ons huis en in heel die omtrek was er niks, alleen maar hei, moerassen en beemden met hier en daar een koeienwei.
In die talud groef ik een gat, twee meter op twee meter, en het zand stortte ik met een emmer in het kanaal. Ah ja, geen spoor van dat graven mocht te zien zijn, en dat is toch acht kubieke meter zand die ik kwijt moest zien te raken!
Tegen het plafond, op de vloer en tegen de zijwanden plaatste ik dunne boomstammen die ik omgezaagd had. De dunne takken van die boompjes moest ge dan tussen die stammekes vlechten, zo kreegt ge een stevige wandconstructie én een goeie isolatie. Ik heb er ook nog inpakpapier tegenaan geplakt, dat was mijn behang, dat voorkwam dat er teveel zand naar binnen ritselde. Ventilatie had ik via een kachelpijp. Die stak uit de grond en  die had ik gecamoufleerd met een grote bos hei, ja, hei was er genoeg! Als verlichting had ik een carbuurlamp en om te slapen had ik stro met een soldatendeken erover. Maar muggen! Niet te doen! Dat kwam natuurlijk door dat kanaal en die moerassen. 
Waar ik gegraven had, plantte ik alle zoden en struiken terug op hun plaats en in de talud kwam dan mijn ingang, juist breed genoeg voor één man en afgedekt met een houten deksel. Op dat deksel had ik met nagels en kiekendraad plaggen hei vastgemaakt, dat bleef daarop liggen als ik dat deksel opende. 't Was een camouflage die ik om de paar dagen moest verversen, anders was dat te zien dat die hei verdroogd was op die ene plek.
Ik heb mijn hol helemaal alleen gemaakt, dàgen heeft dat geduurd eer die schuilplaats af was. Mijn ouders wisten dat ik met 'iets' bezig was, maar ik heb nooit gezegd waar ik zat. Dat was compleet afgelegen tussen die moerassen. Er is daar ooit nog een kind van vijf bijna verdronken. Dat zakte altijd dieper weg, ik had het horen schreeuwen en ik heb het er nog uit kunnen halen. Dat was voor de oorlog.
Overdag ging ik vaak naar huis, maar dan moest ik wel eerst zien of er een deken buiten hing, of alles veilig was. En ging ik terug naar m'n hol om te slapen, dan nam ik elke keer een andere weg. Zodat er geen spoor zou ontstaan dat me kon verraden; ook dat had ik geleerd van de Russen. 
Gegijzeld
In de loop van 1944 waren er meer en meer razzia's en ook meer voortvluchtigen en op de duur sliep ik daar met twee broers én nog een gezochte. Alles bijeen heb ik daar zo'n vier maanden gezeten. Toen landden de geallieerden in Frankrijk en gingen de Duitsers zich zelf ingraven bij het kanaal en moesten we onze plek verlaten.
De dag na de bevrijding door de Engelsen was mijn broer-pater op bezoek en die wilde natuurlijk mijn schuilplaats zien. Wij liepen naar die dijk en ineens werd er geschoten. Vanuit dat open deksel! D'r zaten godverdomme nòg Duitsers in, mogelijk deserteurs die niet  wisten waar te blijven, en die hadden allicht bij toeval mijn ingang ontdekt. Verdomme, de kogels ketsten tegen de weipalen! En wij lopen natuurlijk. Mijn broer had zo'n lang priesterkleed, hij pakte die soutane op en hij spurtte nog rapper dan ik!
En voila, toen was de oorlog gedaan en ik ben nooit gepakt geweest en mijn Russische kameraden ook niet."

Donkere kamer
Het is nog moeilijk na te gaan welke schuilplaatsen zoal gebruikt zijn door werkweigeraars. Uit getuigenissen die we verzamelden, uit heemkundige verslagen en in de beperkte literatuur over de werkweigeraars (o.a. "Hier gaat alles zijnen gewonen gang" van Frank Seberechts) komt een uiteenlopend en vindingrijk 'arsenaal' aan het licht. Naast de vaak voorkomende boerenschuren, hooizolders en achterkamers verstopten de onderduikers zich in koeienstallen, kerktorens, serres en dodenhuisjes op het kerkhof. Nog specifieker zijn "de donkere kamer van een fotograaf", "de oven van een steenfabriek" en "ik zat weggestopt onder de vloer van een schoenmakerij". In Bikschote zaten Henri V. en zijn broers ontelbare nachten in een "gereinigde mestput van de stal". Een Kempense onderduiker zat in een put onder "een grote houtmijt" en Gustaaf V. uit Wondelgem kon zich vijf dagen per week verstoppen in een huis waarvan de bewoners alleen in het weekend aanwezig waren. Hij durfde evenwel geen kachel aansteken in dat koude lege huis en dus had hij "weken aan één stuk onder de beddendekens gelegen".

Het pension “Zomerlust” in Bredene waar Raymond verstopt zat in een ruimte achter een borstelhok.

Het pension “Zomerlust” in Bredene waar Raymond verstopt zat in een ruimte achter een borstelhok.

Borstelkot    
Raymond (85) uit Bredene maakte eerst een zwerftocht van vele kilometers door Wallonië (waar hij zich in de bossen verstopte bij het verzet) om dan uiteindelijk naar de kust terug te keren en "op pension" te gaan.    
"Mijn nonkel-timmerman had een familiepension in Bredene dat leeg stond. Ah ja, er was geen toerisme meer, want het strand en de duinen waren helemaal afgezet met bunkers, zwaar geschut, versperringen en mijnen, en in het achterland stonden de Rommel-Asperges, grote houten staken die de landing van zweefvliegtuigen moesten verhinderen. Dus al die kamers van dat pension stonden leeg en de laatste logeerkamer van de gang heeft hij dan omgebouwd. Van het voorste deel van die kamer maakte hij een borstelkot, dat stond vol gerief om schoon te maken, en daarachter had hij een sas met een schuifdeur gemaakt en zo kwam ik in mijn kamertje.
Er was juist genoeg plaats voor een smal bed. Qua beweging kon ik alleen naast die matras stappen, en toch heb ik daar vijf maanden gezeten. Ik kon naar beneden om bij mijn nonkel en tante te gaan eten, maar het veiligste was toch op dat kamertje te blijven.
Dat waren lange lange dagen! En mijn enige gezelschap was een radio. Daarop kon ik de Engelse post ontvangen, dat waren toen vooral de oorlogsberichten en de big band muziek van Joe Loss, Glenn Miller, Victor Silvester en al die anderen. Ik hield ook een dagboek bij en mijn nonkel zorgde elke dag voor een krant. Daarin las ik àlle artikels en ik loste ook elke dag het kruiswoordraadsel en de rebus op. Nonkel had in Holland ook nog een cursus "Engels leren" besteld en ook die cursus heb ik helemaal ingestudeerd.
Ik had dus genoeg om te lezen, maar ge zijt jong, dan wilt ge uw tijd niet passeren in zo'n stil kamertje. Ik lag dan maar vanop mijn bed naar het plafond te staren. Uit het raam kijken had geen zin, want ik keek uit op een blinde muur. Van dat lange liggen in bed werd ik stijf en suf en dan deed ik strek- en plooioefeningen in dat gangpad naast mijn bed.
't Was zo klein, in feite zat ik gevangen als in een cel. En elke dag vroeg ik mij af: hoelang gaat die stomme oorlog nog duren, hoelang ga ik hier nog opgesloten zitten? Maar dan dacht ik weer aan mijn vader en mijn nonkel. Dat waren oudstrijders, die hebben beide aan de Ijzer gevochten in '14-'18, die hebben vier jaar in de modder van de loopgrachten gezeten. Mijn vader zat zelfs in de Dodengang (een levensgevaarlijk complex van loopgraven dat op enkele tientallen meters van de Duitse linies gelegen was,jh) Vergeleken met hen zat ik in de luxe, maar mijn miserie was dat ik zo alleen zat en geen kameraden zag, dat was erg. Ik heb dikwijls in mijn eentje zitten fluiten, om toch iets vrolijk te doen. 
Dat de bevrijding eraan kwam, kon ik horen aan de ontploffingen buiten. Het waren de terugtrekkende Duitsers die bij hun aftocht alles opbliezen zodat de geallieerden er geen gebruik van konden maken. Plots stond mijn nonkel in de deur: "In Oostende hangt de Belgische vlag al aan de kerktoren!" En ik naar buiten! Eindelijk weer lucht, eindelijk weer vrije vogel. En ik heb een Belgische vlag gepakt en terwijl de Duitsers nog aan 't weglopen waren, ben ik ermee op de kerktoren van Bredene geklommen!"
In memoriam
Raymond is nog een vitale verteller. Maar ze worden zeldzaam, de werkweigeraars die nog kunnen vertellen. Al bij één van m'n eerste telefoons kreeg ik het te horen: "Die voortvluchtigen! Dat zijn mannen van achter in de tachtig. Daar zijn er al massa's van vertrokken!" De dood was inderdaad niet weg te denken. Eén contactpersoon hàd iemand voor mij, "een hele goeie, maar de mens is gisteren begraven". Eén man klonk nog helder, maar ook dat was schijn: "Ik ben totaal verlamd geweest, meneer. Ik weet niks meer, ik kan u niet helpen." Het meest schrijnende was een telefoontje naar Brugge. Een vriendelijke vrouwenstem zei dat ze haar man zou roepen, "maar dat het wel éventjes kon duren". Een halve minuut later kwam er een veel te jonge mannenstem aan de hoorn. Het was de thuisverpleger: "Mevrouw is een beetje in de war. Haar man is twee maand geleden gestorven". En zo gaat de stille maaier verder langs zijn anonieme slagveld.   

Georges (piccolo) en z’n vader die conciërge was in het casino. Georges zat in de luchtkokers verstopt, vlakbij zingende en feestende Duitsers.

Georges (piccolo) en z’n vader die conciërge was in het casino. Georges zat in de luchtkokers verstopt, vlakbij zingende en feestende Duitsers.

Van alle geïnterviewden is Georges Rombout (86) degene die slechts kort ondergedoken zat, maar één van zijn schuilplaatsen is ongetwijfeld één van de meest bizarre in België. Georges verstopte zich in het casino van Knokke.
«Wij waren met twee zonen en vader en grootvader waren jachtwachter in de duinen van Knokke. Toen het casino in 1930 openging, heeft de grote baas van die jachtvelden mijn vader daar als conciërge aangesteld.
In mijn jeugd moest ik helpen: de zalen en gangen opkuisen, de stoelen weer op hun plaats zetten en nog van die karweien. Toen ik vijftien was, twee jaar voor de oorlog, moest ik ook piccolo zijn. Zo in een rood kostuumtje met een rond potje op de kop. Dan stond ik bij de  trap programmaatjes uit te delen, of sigaretten te verkopen, of ik bracht telegrammen rond bij al dat druk zakenvolk.
Maurice Chevalier, Marlene Dietrich en Louis Armstrong traden toen op, maar ik was een speelvogel in de duinen, ik interesseerde mij nul voor al die vedetten. Ik liep niet graag rond in dat nauwe piccolo-pakje, maar piccolo zijn was wel prima voor het drinkgeld! De mannen met de meeste centen waren de Engelsen. Sommigen kwamen naar hier gevlogen met hun eigen vliegtuigske! Die landden op het vliegplein van Knokke, trokken hun smoking aan, stapten met hun vrouwvolk in een taxi en kwamen hier grote sier maken. Menslievegod, ik zie ze nog altijd binnenkomen met hun fijne Players-sigaretten in die prachtige glimmende doosjes! Elitevolk was dat, van Cambridge en Oxford! En fooien dat wij kregen! Onze broekzakken zaten vol muntstukken. Er is een weekend geweest dat we driehonderd frank verdienden. Een fortuin voor die tijd! Soms was de avond nog niet om en rolde het geld al uit onze volle broekzakken! We stopten het dan maar in de bloempotten van de palmiers. Jongens toch, wat een tijd!
Sommige van die Engelsmannen hebben we tijdens de oorlog nog teruggezien! Ons vliegplein dat in handen was van de Duitsers, was natuurlijk een doelwit van de Britse jachtpiloten. En ik zàg dat sommige van die piloten de plek herkenden. Want als ze na een aanval terugkeerden naar Engeland, dan wiebelden ze met hun vleugels naar de mensen op het land. De gewone werkmensen in Knokke begrepen dat niet, (trots) maar ik wist, die mannen zeggen ons goeiendag vanuit de lucht!
In de konijnenpijp
In het voorjaar van 1944 kreeg ik mijn oproepingsbevel. Mijn vader die in de ondergrond zat, zei dat ik het niet te ver moest zoeken. Ik moest thuisblijven, en als er gevaar dreigde, moest ik mij verstoppen in het casino. Ik kende dat casino door en door. Als kind speelden wij daar al katje-duuk (=verstoppertje) in die gangen. Ik zie ons zelfs nog in de lange gordijnen van het podium hangen. Dan waren wij natuurlijk Tarzan, en dan zwierden wij van het ene tienmetergordijn naar het andere tot de rails door ons gewicht naar beneden kletsten, dan was het gedaan natuurlijk.
Van vader moest ik de weg leren kennen in de ventilatiekokers van het casino, "want een konijn in nood springt ook in een pijp!" Ge hoorde dat goed dat hij vroeger nog jachtwachter was geweest.
Die kokers van die ventilatie waren verbonden met de ventilatoren van de speelzaal en de grote balzaal, daar waar de variéte-avonden werden gehouden. Om in die kokers te geraken moest ge in de kelder  een rooster losschroeven en zo kwam je in die pijpen die in  gewapend plaaster waren gemaakt. Ge kondt er juist in, kruipen op uw knieën en ellebogen. In de bochten was het smal, zeker voor een knaap van een meter negentig als ik. Wie claustrofobie had, die werd zot, zo benauwd was het.
Kraft durch Freude
Ik moest daarin kruipen als het feest was voor de Duitsers, meestal was dat het wekelijkse optreden van Kraft Durch Freude. Dat was een schitterende revue van zangers, clowns, acrobaten en andere artiesten en die deden een tournee langs de Duitse troepen om het moreel wat op te krikken. Op woensdag was het altijd in Knokke en dan zat er zeker duizend man in de zaal, ze werden aangevoerd met camions en auto's. En op de eerste rij stonden de fauteuils voor de officieren, de mannen met een monocle in hun oog.
Toen ik nog geen gevaar liep, stond ik daarnaar te kijken vanuit de coulissen en één keer - op 21 juli- hebben we de Duitsers een surprise bezorgd. Mijn broer en ik hadden onze kat in een duivenmand gestopt, mét een Belgische strik om haar hals, en midden in de voorstelling lieten we haar los: zij stapte parmantig over dat podium en vader nam ze in de schijnwerper. Die Duitsers, jong, die vonden dat pràchtig, oh! en ah! en ze begonnen zelfs te applaudisseren. Want ja, die soldaten van de Wehrmacht, dat waren ook maar vaders en zonen, die waren niet contrarie. 't Zijn de nazi's en de Gestapo, die waren te verachten. Enfin, onze kat verdwijnt en ineens horen we buiten drie schoten. Niet van de Duitsers, maar van de zwarten die ook op die revue aanwezig waren. Zij hebben onze kat doodgeschoten. 't Beestje heeft nog twee dagen geleefd, maar is dan gestorven. Voor het vaderland zullen we maar zeggen (lacht).
Enfin, met mijn oproeping werd ik voortvluchtig en kon ik niet meer vanuit de coulissen toekijken, ik moest mij in die kokers verbergen. Niet uit schrik voor de soldaten, maar uit schrik voor de zwarte Knokkenaren die mij niet mochten zien, want die wisten maar al te goed dat ik eigenlijk in Duitsland moest zijn. Zat ik daar in die koker en dan hoorde ik natuurlijk die Duitse fanfares, (bonkt op de tafel) denn wir fahren! denn wir fahren gegen Engeland, en met hun botten maar stampen op de vloer! Boven mijn kop! Op het einde was er altijd een speech van één of andere generaal en dan was het natuurlijk Sieg Heil, Sieg Heil!
Was het feest ten einde en was de kust weer veilig, dan blies mijn vader op een fluitje en dan mocht ik uit mijn pijp komen.

Het casino van Knokke onder de houten namaakbunker. Ook de lopen van het afweergeschut waren in hout.

Het casino van Knokke onder de houten namaakbunker. Ook de lopen van het afweergeschut waren in hout.

Eén keer ben ik onvoorzichtig geweest. De Duitsers waren begonnen met de bouw van de Atlantikwall, dus met het aanbrengen van nog meer mijnen, versperringen en geschut om de kust te vrijwaren voor een landing en ze hebben het casino toen in een houten kap gestoken. Precies of het was een bunker en er staken ook grote lopen van kanonnen uit, maar ook die lopen waren van hout. De afval van dat hout hebben we nog goed in de stoof kunnen gebruiken. Enfin, de bouw van die houten namaakbunker was begonnen, maar ik was niet weg te slaan van dat dak, ik wilde maar altijd de bommenwerpers zien die naar Duitsland vlogen. Hoor ik ineens stappen op de trap en komen er vier Duitsers op dat dak. Mét een luchtafweerkanon! Aiaiai, Georges wat nu?! Ik duik direct in zo'n koker van de ventilatie, maar die pijp liep dood, ik kon niet weg! En tot 's morgens heb ik daar moeten zitten. Pas dan rinkelde hun veldtelefoon en moesten ze sofort vertrekken. Mô mensch, die nacht heeft mijn hart nogal geklopt!
Het was dus niet meer veilig in het casino. En dan zijn wij met ons gezin in een villaatje gaan wonen in het achterland. Mijn vader ging nog elke avond naar het casino om te werken. Ik zat in een kleerkast die vol kleren hing en in die achterwand had ik een gat gezaagd en via dat gat én een opening in de muur kwam ik in een vide terecht waarin ik niet te ontdekken was.
Maar op een dag hebben ze mijn moeder erin geluisd. De Duitsers waren in burger en ze waren poeslief, ze hadden zogezegd papieren bij dat ik vrijgesteld was, ik zou niet naar Duitsland moeten. En mijn moeder blij roepen naar boven, naar die kleerkast: Georges, ik heb goed nieuws! En ik: moeder, ik ben eraan! Ze stonden al in de traphal met het pistool op mij gericht. En zij schreien natuurlijk, en dan ben ik via een klein wc-raampje naar buiten gedoken, een sprong gelijk een panter! Maar in de haag zat een zwarte, ene Piet Porey, handlanger van de Gestapo in Brugge. En zo ben ik toch gepakt."
Rien ne va plus
«Ik ben met één van de laatste konvooien naar een Duits werkkamp gevoerd. Het was al augustus 1944 en België is bevrijd in september. In Schaarbeek stond het perron vol. Allemaal weggevoerden die in wagons van een stoomtrein werden gestampt. Ik zat gelukkig in een beestenwagon, daar was toch wat ruimte en af en toe kondt ge lucht scheppen bij een roosterke in de wand. De mannen die in de reisrijtuigen zaten, die hadden het benauwd! Die zaten op mekaars knieën, overvol zat die trein!
In Luik vertraagde de trein, telefoonpalen over de rails! Omgezaagd door het verzet. Aussteigen! en wij moesten zelf die palen wegdragen. Verschillende jongens zijn daar weggelopen, maar ze schoten ze neer gelijk konijnen."
Na drie dagen belandt het konvooi in Dresden en vandaar in een werkkamp in Zittau waar ze onderdelen voor de vliegende bommen V1 moeten maken. Intussen rukt het Russische leger op, de fabriek moet ontmanteld, en ze moeten alle materiaal op binnenschepen laden. «Wij mochten 's nachts niet aan dek, maar ik deed dat toch, en ineens zagen mijn kameraden en ik allemaal dode schapen voorbij drijven. 't Werd morgen en toen zagen we dat dat allemaal bleke mensenlijken waren, velen afschuwelijk verbrand! Wij wisten toen nog van niets, maar dat was de vreselijkheid van Dresden, ge weet wel, dat fosforbombardement dat alles verwoest heeft.

Georges (midden) na de bevrijding uit het werkkamp in Duitsland.

Georges (midden) na de bevrijding uit het werkkamp in Duitsland.

De gestreepte mannen
Uiteindelijk kwamen we met ons transport aan in Lippstadt en Lippstadt was de hel. Had ik daar langer dan twee maanden moeten blijven, dan had ik het niet overleefd. Ze houwden daar een berg uit, en in die holte moest een grote werkplaats komen voor de produktie van de nieuwe Messerschmitt, de ME 262, een jager met straalmotoren. 
Wij vielen onder een streng regime, maar dat was zacht in vergelijking met de behandeling van de echte dwangarbeiders, de Nacht-und-Nebel-mannen in hun gestreepte kleren. Dat waren vooral Russen, politieke activisten en verzetslieden die in hun land 'verdwenen' waren en die hier gedoemd waren om te sterven. Zij moesten in die bergwanden houwen en zware drilboren bedienen terwijl ze nog maar vel over been waren. Viel er één dood, hij werd in de kipwagon gezwierd en buiten in een massagraf gegooid. Die Duitse ploegbazen werden betaald per uitgehouwen meter en die dreven die sukkelaars maar op. En of er nu tien of twintig dooien vielen, dat kon hen niet schelen.
Wij hadden nog eten, zij hadden zo goed als niks. Ik weet dat wij 's morgens de schillen van patatten achterlieten en zij aten dat op!
Op een dag spreekt er éne me aan: Camerade! La guerre, ça dure! Où est-ce-qu'ils sont? - In Aken, zei ik. Ja, ze zaten daar gestremd door de slag om de Ardennen, het ging niet zo best vooruit. Maar dat zei ik allemaal niet. Ik zei Du courage! ils vont venir! Binnen een maand of twee staan ze hier; ça ne va plus, schudde hij, en hij viel achter zijn schup en bleef daar dood liggen. Dat waren geen mensen meer, dat waren wandelende skeletten.
Op 16 april 1945 - na bijna negen maanden werkkamp- zijn we bevrijd door de Amerikanen. Wij de trein op naar België, en in het station van Luik krijgen we warme chocolademelk met zoet krentenbrood (verzaligd) oh, wij waren in de hemel, wij konden niet stoppen met eten! En ineens zie ik een bekend gezicht, Piet Porey, de man die me gearresteerd had bij m'n sprong uit dat wc-raampje! Maar! Hij liep nu rond met een Belgisch driekleurtje op zijn jas! En ik spring op hem af, "jongens, hier zit een Gestapo!" en ik gooi 'm omver, ik ga op hem zitten en ik knijp zijn keel toe. Mijn kameraad Louis haalde al zijn Duitse bajonet boven, hij ging hem "doodsteken" en als de militaire politie niet met de matrak tussenbeide was gekomen, dan was ie dood geweest. Die Piet is later veroordeeld tot twintig jaar cel. En toch straf hé, hoe die daar ineens kon opduiken in Luik!"
Hij zegt dat de wereld klein is. En dat het toeval een rol kan spelen in een mensenbestaan. En dat hij nog tot zijn achtenzestigste in het casino heeft gewerkt.
We drinken koffie met de ramen open en zo is het volle zomer, en zelfs doordeweeks ook nog eens volop vredestijd.

Nawoord: Georges Rombout overleed in 2013. Hij was 89.

Vorige
Vorige

Yo de dobbermannen! Bekende Vissers (BV’s) over hun watersport

Volgende
Volgende

<k> Quarantaine in oorlogstijd: de onderduikers en hun schuilplaatsen (1)