De hobo’s: zwerven op goederentreinen (3) / de Vietnam-veteranen

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

“De maatschappij heeft ons ziek gemaakt met dood en oorlog.
In zo’n maatschappij kunnen wij niet meer leven.”

Om kwart voor zes schiet het licht aan in de slaapzaal van de Union Gospel Mission. Iedereen moet uit de veren ... up you guys!  en binnen de minuut naar de waszaal, meteen de pyama uit, en zoals gisteren staan we hier opnieuw naakt en in een rij voor het loket. Nummer? 134! En dan pas krijg je de krat met je eigen kleren terug. Zogezegd uit voorzorg dat niemand luizen, messen of drugs in de slaapzaal binnenbrengt. Het is de stijl van het prison, een hele nacht alles moeten afgeven tot de laatste draad aan je lijf, dat is een stràf.
Na het ontbijt van zes uur (een kwak havermout, een lepel stroop, twee stukken toast en een beker koffie) is het vanaf kwart na zes al check out time. Doug ziet onze rugzakken, en aan zijn gezicht is te merken dat hij hier ook zou willen vertrekken. Doug woont op honderd kilometer hiervandaan, in de staat Idaho, maar hij kan niet terug naar huis, want in die buurstaat is hij op borgtocht vrijgelaten en hij heeft de voorwaarden geschonden.
Doug zegt dat hij de opzichters van de Born Again-mission al vaak op hun gezicht heeft willen slaan."Proper gebouw, goed eten, brave directeur, maar die opzichters zijn rotzakken. Het zijn tramps die zogezegd hun leven gebeterd hebben, die zogezegd Jezus hebben binnengelaten in hun leven. Maar omdat ze zelf uit de goot komen, willen ze de brutale baas spelen over degenen die nog op straat moeten leven. Daarom is het ook zo stil aan tafel. Iedereen is bang voor ze. Niemand wil ruzie met hen, want ze zouden wel eens je welfare cheques kunnen achterhouden."

We stappen de deur uit, en een andere logé vraagt grijnzend waarom we zo rap weg zijn. Of wij onze bekering dan niet willen afwachten? You fuckin' Born To Run Christians!
Op vijfhonderd meter van de mission is de spoorweg en drie Mexicanen staan een potje koffie te roosteren. bij een stel geblakerde stenen. EnoRobert en George, dat zijn hun 'Mexicaanse' namen voor Mexicanen die legaal in Amerika zijn. We hebben ook papiéren kloppen ze op hun jas, zakken vol papieren! En niemand mag hun alien noemen of wetback (=scheldnaam voor de Mexicanen die de grens met de USA overzwemmen),"want dat zijn we niet, we are born in the USA!"
De drie zijn onderweg naar de appelboomgaarden van Wenatchee waar ze de komende weken kilometers en kilometers bomen gaan uitdunnen. It's The Big Apple lachen ze en het verdient vijf dollar per uur.Ze willen de nacht afwachten om een trein naar Seattle te nemen, "overdag patrouilleren er hier teveel bulls".

Joleen, van huis weggelopen, en onderweg naar Minneapolis; nog 2600 km.  © Stephan Vanfleteren

Joleen, van huis weggelopen, en onderweg naar Minneapolis; nog 2600 km. © Stephan Vanfleteren

Wij willen zolang niet wachten en stappen  richting rangeerstation. Daar zit Joleen, gehurkt onder een donkere brug. Ze is achttien en al drie jaar 'on the road'. Het is haar beste dag niet vandaag. Ze komt van Seattle, ze gaat naar Minneapolis en ze is haar twee vrienden kwijtgespeeld bij het vertrek. Toen zij met haar hond op een rijdende boxcar was geklommen, zag ze de twee anderen niet meer, en ook in Spokane kwamen ze niet opdagen uit een andere wagon.   
Ze neemt haar spoorwegkaart, rekent de kilometers uit tot Minneapolis ("nog 26OO") en denkt dat ze daar in zesendertig uren kan zijn. Maar dan moet ze wel geluk hebben én op de hotshots reizen, de snelle vrachttreinen met expresgoederen die haast nergens stoppen en die stevig gecontroleerd worden door de spoorwegpolitie. 
Zoals ze op haar rugzak zit, ineengedoken onder haar te grote jas en United Parcels-petje, ziet ze er heel jong uit, a runaway kid. Toen ze twaalf was, liep ze een eerste keer weg van thuis: "Mijn moeder was me beu en wilde mij nooit meer zien". Na een paar weken was ze teruggekeerd, maar op haar vijftiende is ze definitief weggelopen. De eerste weken had ze gelift, maar wegens "too many perverts" is ze op de treinen beginnen rijden, doorheen de States. Ze vertelt hoe ze in El Paso in een grote dumpster van een supermarkt was gekropen om te slapen, en hoe ze 's morgens werd van luid geroep en van het gevoel dat ze werd opgetild: "had die man vanuit dat appartement niet keihard naar die bestuurder geroepen, dan had die vuilniswagen mij kapot gemalen." Ze lacht als ze het vertelt.
De eerste goederentrein komt eraan, een hotshot, een expres voor lange afstanden, een lange sleep van platte wagons met opliggers van trucks. Die wil ze hebben en Joleen loopt de berm af, te snel  voor de hond die zich schrap zet, op zijn stijve poten trekt ze hem de berm af, ze loopt naast de trein die vaart mindert, ze heeft haar hond op de arm en met haar andere hand grijpt ze naar een ladder, twee-drie keer grijpt ze ernaast, de trein rijdt te snel. We zijn haar gevolgd, we zien de angst in haar ogen, ze moét die trein hebben, en we pakken de hond over, en dan remt de trein af en kan ze op een ladder klimmen, we geven de hond in haar armen, en ze rijdt weg, verstopt achter de brede wielen van een vrachtwagen, dat goeie kind in haar veel te grote jas.

Wachten op een ‘westbound’ naar Seattle  © Jan Hertoghs

Wachten op een ‘westbound’ naar Seattle © Jan Hertoghs

Tussen het lange buntgras liggen we nu, en de krekels moeten sjirpen van ons, vanwege de halm tussen onze lippen en omdat we hier zo heerlijk in een hinderlaag liggen: de trein zien we vanop één kilometer aankomen en hier moet hij voor rood stoppen, dat is  instappen en wegwezen. Maar als we uiteindelijk een geschikte westbound zien en de berm af rennen, stopt er ineens een jeep op het pad ," Hi, you guys! Zinnens om op die trein te springen? Dan  eerst de papieren graag! Railroad police! "
Naam, adres, lichaamslengte, gewicht en kleur van de ogen worden genoteerd alsook onze goed voorbereide verklaring dat we echt niet wisten dat zulke treinreizen verboden zijn. De agenten knikken en zeggen dat het gevaarlijk is, en dat ze ons geen tweede keer willen zien, want dan arresteren ze ons. Gemaakt teleurgesteld druipen we af, om het een uurtje later weer te proberen, en shit!, de politie staat er opnieuw en die ene agent steekt twee vingers op (tweede keer!), en om niet gearresteerd te worden (met 325 dollar boete!) lopen we snel de andere kant uit.
Dat wordt de nacht afwachten en een omtrekkende beweging van vier kilometer maken langs loodsen en magazijnen, langs lege fabrieksterreinen en grintwegen die doodlopen op omheiningen die ons nog meer omweg doen maken. 

Container-couchette
En dan gaat ineens vlakbij een overweg dicht, de bel rinkelt en de Machtige Koplamp die eraan komt, stopt ook op de overweg, en we zien wagons, we zien lége wagons, en alle voorzichtigheid is weg omdat we hier wég willen, en ik ga voor de locomotief staan zwaaien naar de machinist, of hij naar Seattle rijdt?! Maar hij kijkt ostentatief de andere kant uit, hij weigert een antwoord, en zo rijdt hij weg, en de grote controletoren steekt dan ook nog eens zijn schijnwerpers aan, dat licht valt vlakbij, we moeten opnieuw achteruit. Tot waar we in donker gras kunnen liggen, plat op de buik, met de rugzak op de rug en de handen klaar in de handschoenen, wachtend, wachtend, maar op het spoor komt geen enkele trein meer.
Als we naar een andere berm sluipen, met hoger gras dat ons beter camoufleert,  horen we links van ons zacht fluiten, vier keer na mekaar, dat moet al bijna Winnetou zijn, maar het zijn de Mexicanen van vanmorgen. Hi, brothers zeggen ze en er volgt een hartelijk maar gedempt weerzien in hun schuilplaats, een kuil achter een berg zand.
Daar zitten we nu met zijn vijven nabij de sissende wolken van de stationair draaiende rangeerlocomotieven. De volle maan komt op en in dat licht zitten de silhouetten van de latino's, geknield in het gras, hun hand op hun bagage, klaar om overeind te springen naar de rails. Guy Clark zong het al: like desperados waiting for a train. 
Het is wachten op de koplamp in de nacht, en anderhalf uur later zwenkt hij op onze baan. De trein stopt voor het sein en blokkeert met zijn vijf meter hoge wagons het licht van de controletoren; het is een hotshot, die blijft hier hoogstens drie minuten staan! Alle wagons hebben containers, we klimmen op een forty-eighter, een wagon voor een 48-voet container, maar slechts geladen met een 4O-voeter, aan beide kanten is er een 'kuip, net groot genoeg voor twee verstekelingen We leggen onze slaapzak en hopen dat die container goed vergrendeld zit op  zijn stalen ankers, als dat ding gaat shiften zijn we corned beef.  

De Mexicaanse seizoenarbeiders, onderweg naar de appelboomgaarden. Links boven: de ‘kuip’ van de containerwagon waar plaats is voor twee. (Ingescande foto Humo/ © Stephan Vanfleteren)

De Mexicaanse seizoenarbeiders, onderweg naar de appelboomgaarden. Links boven: de ‘kuip’ van de containerwagon waar plaats is voor twee. (Ingescande foto Humo/ © Stephan Vanfleteren)

De trein suist door het donker en de hele nacht slapen we als een blok. In Wenatchee met zijn appelbomenheuvels nemen de Mexicanen afscheid, "vaya con Dios".
D
e trein met zijn vier loks krijgt er nog drie bij: zevenmaal 3000 PK om de honderd wagons over de Cascade Mountains te trekken. De zon bakt onze containerkuip als een hete oven.
Gelukkig is er de schaduw van de Cascade Tunnel, twaalf kilometer lang en twintig minuten dat we onze handen niet voor onze ogen kunnen zien. Toen de treinen nog op steenkool reden, zijn in deze tunnel hobo's gestikt door de rook. Intussen heeft de tunnel luchtfilters en krijgen de bestuurders een luchtmasker om de dieseluitstoot te verteren. Wij houden een zakdoek voor de mond.
Na de tunnel is het weer zon-bomen, zon-bomen, een geschimmer dat ons uittelt, knock-out liggen we tussen de vier hete muren van de containerbak. Maar dan zien we een vlieger hoog in de lucht, en overeind komend zien we de zee, de Stille Oceaan, en die zee is als een beloning na dagen van vasteland. Er is de bries over het water, de geur van zand en natte rotsen, de wandelaars met honden en waarempel ook een zeehond in de zee, en de trein komt vlakbij het strand,  frisbees zeilen, vlees gaat op de barbecue, een gast zit gitaar te spelen, en zoals overal zijn er de kinderen die naar de treinen kijken, en het is zwaaien en wuiven, vaders heffen hun flesje bier naar ons, en wij fluiten als van oudsher naar de bikinimeisjes die schrikken, wie fluit wie roept daar op die trein, en wat een fijne entree in dit Seattle, de stad van Nirvana en Bill Gates.

De trein nadert Seattle, langs het strand en de Stille Oceaan. © Jan Hertoghs

De trein nadert Seattle, langs het strand en de Stille Oceaan. © Jan Hertoghs

In de goot again
Het is een coole stad, beetje slordig en nonchalant, met oude gebouwen die zoals een zeeman ook slingerend bergaf lopen naar het water. Maar eerst willen we uitblazen in de spoorberm, daar is een hobo-kampement. En in die  plasticzeilen nederzetting heet de 62-jarige Fat Walter ons welkom en hij biedt een bureaustoel zonder leuning aan. Hij verblijft hier in een wegwerpsalon van paletten, omgekeerde verfpotten en gedumpte autozetels. Zijn kampvuur brandt in een ijzeren hutkoffer.
Fat Walter was treinzwerver van 195O tot vorig jaar, maar na een hartaanval heeft hij zich hier 'gevestigd'. In de bewoonde wereld heeft hij ook nog vier kinderen en elf kleinkinderen, die allemaal in een huis wonen, maar ze moeten er niet aan denken van hém in een huis te stoppen, "zo'n ding met een dak dat nooit beweegt".
Verder langs dezelfde spoorweg en onder een duistere snelwegbrug kamperen nog 3 tramps. Kamperen is hier een ander woord voor leunen tegen een hoop zand. Eén van hen is Popeye, een ouwe hobo die ooit zijn been is kwijtgeraakt onder een trein. Hij zou veel verhalen hebben, is ons gezegd, maar Popeye schreeuwt dat we geen stap dichterbij mogen komen. Hij is dronken, komt zwijmelend overeind en   zwaait met een mes. En ook hier, op deze plek die veel weg heeft van een armzalig reservaat, doet het vuurwater nog altijd zijn werk.

Fat Walter, na 45 jaar hobo-zwerven leeft hij sinds een jaar onder een spoorwegbrug. © Stephan Vanfleteren

Fat Walter, na 45 jaar hobo-zwerven leeft hij sinds een jaar onder een spoorwegbrug. © Stephan Vanfleteren

Aan een bushalte stappen we op de bus naar het centrum, we wilden te voet gaan, maar we kùnnen niet meer.  Als loshangend zeil staan we in onze schoenen, ons lijf heeft geen fut meer, een zonneslag heeft ons te pakken, een plaatselijk broeikaseffect van die hete zon in die smalle kuip op de containerwagon. De man op de bus moet ons alleen maar een goedkoop motel wijzen en dan zullen we daar op het veel te kleine bed ploffen tot het middernacht is en de stad bijna uitgestorven is. Ik zal dwaas lopen zoeken naar een hamburger en alleen maar terugkomen met een fles koud bier die ik niet eens aan de mond mag zetten, op straat drinken is verboden. En dan maar terug op dat bed zinken en slapen, alleen maar willen slapen. Het is een doffe hittekater die ons twintig uur in bed zal houden.

Als we de dag daarop die lammigheid met wat koffie wegspoelen en in een winkel annex koffiehuis de kop binnensteken, zegt de uitbater dat hij zo meteen gaat sluiten. Het is een leugen zien we aan de sluitingsuren, hij wil gewoon geen vagebonden on zijn shop. Dat is onze gedaanteverandering, op amper één week tijd. Een stoppelbaard, een groezelige rugzak en een besmuikt karton volstaan om als paria behandeld te worden. En ja hoor, de daklozen en tandelozen van de straat houden niet langer hun bedelhand op, nee, ze steken hun hand omhoog, brother, how ye doing?! 
Die street credibility valt ons wel mee, maar als we 's avonds onderweg zijn naar een onderkomen voor daklozen, en we de weg vragen aan een parkeerwachtster, roept ze gemeen na "van niet te bedelen onderweg!" Ik maak me waad, maar in mijn gezicht blaft ze Shut up! en daarmee is ook deze les geleerd. Zwijgen en afnokken.

's Avonds zitten we op de veranda van het opvanghuis St Martin de Porres. De pezige vijftiger noemt zich Hawkshadow, en is al achtentwintig jaar hobo . Zoals meer treinzwervers is hij Vietnamveteraan, en als ik daarop alleen maar onhandig kan vragen hoé Vietnam was voor hem, herhaalt hij die vraag ijzig traag.  'How was Vietnam?'  En dan wijzend op Stephan "It was like your buddy been blown up in 4O pieces. That was what it was like." 
Ik zwijg, hij blijft me aankijken. "Op tien treinzwervers van boven de 45 hebben er àcht in Vietnam gezeten. Allemaal gasten die hun draai niet meer vinden in deze maatschappij. Ze leven nog wel, maar voor de maatschappij hebben ze zich afgeschreven. Zij beschouwen zich als "vermist". Omdat ze weten dat ze nooit meer kunnen zijn wie ze vroeger waren. They are alive but they are shot down, emotionally shot down... "
Ik vertel over Roy die we tegenkwamen in Klamath Falls. Hij had een zoontje van drie, maar na de zoveelste ruzie met z'n vrouw was hij "op de eerste de beste trein gesprongen". Zo had hij het in Vietnam geleerd, "op tijd je kop intrekken, anders krijg je alle stront over je heen." Twee tours of duty had Roy gedaan en toen hij bij zijn terugkeer op de luchthaven van San Francisco stond, was een tiener naar hem toe gestapt en "dat kind" had op zijn uniform gespuwd en gevraagd hoeveel baby's hij kapot had gemaakt?! En Roy was na Vietnam nooit meer dezelfde geweest, hij was zijn werk verloren, had gevochten, had in San Quentin gezeten en was dan een gezin begonnen waar hij zopas de deur had dichtgeslagen. Volgens Roy waren de Vietnam-veteranen onder de hobo's goed te herkennen: "Kijk in hun ogen. En je zal maar één ding zien, it's DEATH!"
Hawkshadow was achttien toen hij vertrok. Hij heeft voor de intelligence gewerkt: "Ondervragen van gevangenen en zo. Ja we hebben die goons een hard lesje geleerd. Als ze niks wilden zeggen, namen we ze mee in de heli en dan vlogen we ermee tot op driehonderd voet en dan trokken we de deur open. Als ze dan nog niet wilden praten, dan pikten we d'r eentje uit en dan schopten we die de deur uit, dan wilden de anderen ineens wel praten. Je moést dat doen, als je zag wat zij deden, de ballen en de penis van je dooie makker afsnijden en in zijn mond stoppen." 
Hij kijkt naar de donkere spoorwegbrug: "Het kan je ineens overvallen, zo'n flashback, je hoeft maar op een onbekend terrein of in een duisternis ruimte te komen, en op slag ben je weer in Vietnam. Je hebt kerels die -als ze de uitlaat van een auto horen knetteren- zich plat op de grond gooien. Ik krijg het als ik een drilboor in een wegdek hoor, voor mij is het alsof ik dan de inslag van een machinegeweer in een huis hoor, wapp! back in 'Nam!"
Waarom wagen al die Vietnamveteranen zich  in die verlaten en sombere rangeerstations waar wagons verraderlijk komen aangeslopen? Het lijkt alsof ze zich niet aan "de jungle" kunnen onttrekken en ze het gevaar blíjven opzoeken? Je zoekt het gevaar en de dood niet op, zegt Hawkshadow, je wil gewoon voelen dat je nog lééft nadat je zoveel dood hebt gezien. En dat gevoel vind je niet als arbeider in een dooie fabriek of als bediende achter een dooie computer. Dat gevoel vind je alleen op hàrde plaatsen waar je de kick van het overléven voelt. Vandaar dat je zoveel veteranen op de treinen en in de uitgestrekte wouden van de Rocky Mountains vindt. Dat zijn harde plaatsen. En het zijn ook plaatsen waar we ons niks meer moeten aantrekken van de regels van de maatschappij. Dat hebben we nodig,  we moeten kunnen leven volgens onze éigen regels. Die maatschappij heeft ons naar de oorlog gestuurd, die maatschappij heeft onze kop ziek gemaakt met dood en met vernieling, wel, dan moeten wij nadien ergens kunnen leven waar de maatschappij geen greep meer op ons heeft en waar wij de omstandigheden zelf onder controle hebben. "
Eens je op de treinen hebt gezworven, kom je d'r nooit meer uit, zegt hij, it gets into your blood! Hij is ooit een prof sociologie van Harvard tegengekomen. Die had het één weekje willen uithouden op de rails, zijn vrouw en zijn academische vrienden hadden hem voor gek versleten, en uiteindelijk is hij vier maanden gebleven. "Hij had een lange baard, zijn broek was gescheurd, hij dronk met ons, hij at met ons, en af en toe belde hij zijn vrouw, die dan aan de studenten moest zeggen dat zijn cursus weer een maand was uitgesteld."

© Stephan Vanfleteren

© Stephan Vanfleteren

De vuilnisbakkentrein
Uit Seattle weggeraken is ingewikkeld én riskant, want Seattle is een transitplek waar alle spoorgoederen uit Azië bijeenkomen. Hier zijn zeven rangeerstations waar de geladen treinen naar alle hoeken van de VS vertrekken en de 'bulls' haten het dat je voor de wielen loopt van wat klaarstaat om snel naar Chicago, New York en Los Angeles te vertrekken.
Best 's nachts een trein zoeken, was ons gezegd en ook incognito tewerk gaan: dus één verkenner zonder rugzak de yard insturen en als die de juiste trein gevonden heeft, dan snel met zijn tweeën in die trein klimmen. Ik ben nog geen tweehonderd meter in het emplacement of ik zie al de donkere auto van de 'bull' staan die opeens zijn koplampen en schijnwerpers op een vertrekkende trein richt: al dat licht spat uiteen op de wagons, de hele trein wordt uitgelicht om te zien of er geen verstekelingen aan boord zijn.
Wrong side of the tracks! Een remmer raadt ons aan om drie kilometer verder te gaan, "daar is een rood licht waar alle uitgaande treinen moeten stoppen". Met die schijnwerpers van de controletorens is drie kilometer een helse afstand. Het is overal  wegstoppen in de schaduw van gerangeerde treinen, dekking zoeken achter wielen die bijna zo groot zijn als wijzelf, en dan weer gebukt lopen, over duizenden knarsende stenen, en weer hijgend neerhurken, en weer lopen, schuddend onder onze rugzakken.
Na teveel kilometers hebben we nog altijd niet één rood sein gezien en ons vertrouwen in de brakemen en de switchmen is geschokt. Waarom sturen ze ons het bos in? Normaal staan ze aan de kant van de trainriders. Zij zijn onderbetaald en dus helpen ze de blinde passagiers: het is hun weerwraak tegenover de spoormaatschappij die hen uitperst.  
We zijn zo kapot dat we alleen nog maar in een greppel kunnen vallen en blijven liggen, en in het eerste licht van de zon is de eerste jogger daar al, hij daar zal eens hijgen voor zijn conditie, ga toch wég sukkel! 

Om zes uur 's morgens moeten we noodzakelijkerwijs opnieuw de bus nemen, terug naar downtown Seattle, en zo verder naar de randstad Tacoma. Het zicht van zoveel vroeg spitsuurverkeer is al niet opbeurend, en dan begint de ouwe fokker tegenover mij ook nog eens te zeggen dat de slapende vrouw naast hem zijn nieuwe vrouw is, en dat zijn vorig huwelijksleven een ramp was, enzovoort en zo verder. Zes uur 's morgens en ze zijn daar al met hun ongevraagde talkshow! Dat ze Oprah Winfrey bellen, maar dat ze mij gerust laten!
In Tacoma willen we stevig ontbijten, steak en eieren, maar dat wordt haastig schrokken want vanuit het eethuis zien we heel de tijd locomotieven en wagons door de yard schuiven, en àllemaal lijken ze in de goeie richting te gaan.
Er is geen hoge berm om in te schuilen, we moeten ongezien in een  leegstaande boxcar klimmen om vandaaruit de binnenkomende treinen te surveilleren, tot we eentje naar het zuiden zien, en dan zijn we hier weg. Eindelijk weg uit dit Seattle-hol. 
Urenlang kijken we door een kier naar iedere beweging op de spoorbaan tot onze ogen pijn doen en we misselijk worden van de draaierige hitte boven de rails, en broeiwarm is het in de wagon, en alles is stof en droogte, de losse kalk op de vloer  kruipt met iedere beweging op ons vel en in onze kleren. 
Na élf uur wachten  zien we eindelijk één superlange trein die de yard UIT rijdt. Met veel moeite halen we 'm in, gooien onze bagage op een lege boxcar, springen er zelf in en yeehaw, we zijn wég!, eindelijk! Maar na honderd meter remt de trein en rijdt hij achterwaarts terug. Dit was maar om te rangeren, losers!
Tom Petty wist het al: the waiting is the hardest part.

Op de “bok” van de vuilnistrein. © Stephan Vanfleteren

Op de “bok” van de vuilnistrein. © Stephan Vanfleteren

Een uur later is het toch zover. Een trein met wel honderd wagons en dubbel gestapelde containers houdt stil voor het rode licht. De trein stinkt en dat is goed nieuws, want we moeten de 'vuilnisbakkentrein' naar Vancouver (Washington) hébben. Toch twijfelen we nog. Niet omwille van de stank, dan wel omdat de zitplaats er onveilig uitziet. Je zit vooraan op een benepen roostertrapje van de containerbak, en is geen leuning om je vast te houden. Maar we wagen het erop, vier à vijf uur op 'de bok' van zo'n container, dat moet lukken. En eindelijk, na negentien uur wachten zijn we nu toch wég!
De trein volgt de grillige inhammen van de Stille Oceaan met de besneeuwde Mount Rainier in de verte. Hij schuift langs kleine valleien met grasland waarop het nu zachtjes is beginnen regenen, en die geur van nat gras is om diep in te ademen, maar hij is doortrokken van de 3000 ton huisafval achter ons, een sleep van zure melkkartons en verschaalde etensresten. 
Bàng! Een steen knalt tegen de container voor ons, drie jongens die met stenen naar de voorbijschietende trein gooien. Die stenen zijn levensgevaarlijk, er zijn al hobo's doodgegooid door stenen die met de snelheid van de trein hun kop raakten.
Het razen gaat onverminderd door. Onder ons malen de wielen, boven ons worden de sterren ontstoken en in de huizen naast de spoorweg branden lichten in een kinderkamer, twee stapelbedden en Mickey Mouse op een behang.
Onze koppen knikkebollen, we zien ons al slapend van de trein vallen, en met een riem van de rugzak binden we ons vast aan een stang van de kuipwagon. En zo zitten we te dommelen op deze trein, met gekruiste armen en de jaskappen diep over het hoofd getrokken, vermoeide voermannen op deze lange donkere stagecoach.     

Vorige
Vorige

De hobo’s: zwerven op goederentreinen (4) / de overlevers van de Grote Depressie

Volgende
Volgende

De hobo’s: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (2) / de rammeling voor het slapengaan