De hobo’s: zwerven op goederentreinen (4) / de overlevers van de Grote Depressie
Lees hier deel (3) van “De hobo’s”
"Ik was dertien toen ik op een trein naar het westen sprong."
De Huisvuil Express met onszelf en met drieduizend ton afval aan boord arriveert iets voor middernacht in het spooremplacement van Vancouver (Washington). Op dit nachtelijke uur is het daar een hissen en door elkaar jagen van locomotieven, overal staan treinen te wachten om te vertrekken of gerangeerd te worden. Geen drie straten van deze drukke wirwar is Share House, een door Vietnam-veteranen bestuurd opvanghuis én een aanbevolen adres onder treinzwervers. Maar op dit late uur zijn alle bedden benomen en dus wordt het opnieuw een nacht onder de sterren: motel De Grote Beer.
De volgende morgen schiet de zon over de sporen en op deze onbekommerde ochtend in 1996 zullen we terug in de tijd gaan op zoek naar getuigen die zestig jaar geleden op de treinen hebben gezworven. Toen waren het de jaren dertig, de jaren van de Grote Depressie, volgend op de Wall Street crash van 1929, en toen waren er naar schatting drie miljoen hobo's.
Meest mannen die werk zochten, maar ook hele families, vaders, moeders, kinderen die met hun hebben en houden een uitweg uit de armoede zochten. Mensen kropen met tientallen in de boxcars, reden mee op de treeplanken, hielden zich staande op de buffers, lagen bovenop het dak of met hun buik op de rods (= het ijzeren onderstel tussen de wielen). Een goederentrein met driehonderd hobo’s was geen zeldzaamheid in die tijd, en in elke plaats waar de trein stopte, liep men de straten in om eten te bedelen.
De hobo jungles (=kampementen in de buurt van stations) waren transitplaatsen voor al die gelukzoekers: er werd koffie en stew gedeeld, je kwam te weten waar werk was of waar soep werd bedeeld en je was er enigszins beschut tegen hardhandige spoorwegagenten (maar minder tegen stelende medezwervers). In Chicago was er een hele hobohemia-wijk met circa 5O.OOO 'inwoners' en met zelfs een hobo-college waar de ongeschoren studenten zowel les kregen in de geschiedenis van het oude Rome als in overlevingstechnieken op de ijzeren weg.
Hobo's waren in die jaren geen willekeurige drifters, ze hadden eigen organisaties ontwikkeld zoals de radicaal rooie Industrial Workers of the World (de 'Wobblies'), ze hadden een heel eigen woordenschat, eigen liederen en ook eigen codes. Op huizen en schuren lieten ze in krijt geschreven pictogrammen achter die aanduidden of er in dat huis eten te krijgen was dan wel een slaapplaats, en of de eigenaar gul van inborst was, of "alleen maar vrijgevig na het aanhoren van een triest verhaal".
Kinderen van dertien
Om getuigen uit die tijd te vinden, gaan we in Vancouver op zoek naar een rusthuis en het gebouw dat iedereen aanwijst, blijkt een vleugel van het plaatselijke legerhospitaal, van verre al herkenbaar aan het gemillimeterde gras en de kaarsrechte barakken. Het zag er niet echt toegankelijk uit, maar dit kan ik zeggen, the US Army hélpt je als je eruitziet alsof je uit een loopgracht komt, want binnen het half uur zitten we in een vergaderzaaltje en heeft een vrouwelijke officier voor ons vijf ouwe rakkers opgetrommeld die met wandelstok, looprek en rolstoel komen aanharken: Dick Lane (81), George S. (82), Ernest Page (78), Ed Sluder (7O) en Raymond Arnauld (88). Zeventigers en tachtigers die nu vertellen hoe jong ze waren toen ze hobo werden.
Ed: "Er was bijna geen eten en mijn vader kwam vaak dronken thuis en dan sloeg hij mijn moeder. Op een dag kon ik het niet meer aanzien en ben ik boven op hem gesprongen en heb ik hem geslagen. Ik schrok zo van mezelf dat ik ben gaan lopen en op een trein ben gesprongen. Ik was nog maar dértien jaar. Ik had niks mee, alleen mijn kleren en een deken."
Dick: "Wij waren met twaalf kinderen thuis en in de winter is het gruwelijk koud in Minnesota. Daar wil je gewoon weg als het zo koud is. Ik was ook maar dertien jaar toen ik wegging. Ik ben niet weggelopen. Ik ben gewoon vertrokken met een trein naar het westen. Ik kon er op een boerderij erwten plukken. Verdiende 13 cent per dag. En 's nachts sliep ik in de hooischuur."
Ed: "Ik heb ook altijd in schuren, onder bruggen en in boxcars geslapen. En als ik kou kreeg, heb ik gedaan wat andere hobo's deden, wij pikten kleren en dekens van de waslijnen. Eigenlijk was dat geen stelen, als je bijna doodging van de kou. Zelf moest je ook al je kleren aanhouden als je sliep, want anders werden ze ook gejat."
HUMO: Waren jullie ouders niet ongerust?
Dick: "Nee. Ze vonden het niet erg, ze hadden nog élf andere kinderen om voor te zorgen. Je liép ook niet weg van huis, nee, je ging gewoon een tijdje weg. Om het je ouders wat makkelijker te maken."
Ed: "Hadden ze een mond minder die ze eten moesten geven."
Ernest: "Want de mensen hadden echt wel honger, er was gewoon géén eten en géén geld."
Ed: "En dan kwam je na een paar maanden terug thuis en dan vroegen je vader en je moeder, waar heb je gezeten, en dan zei je waar je geweest was, en dat was het dan."
HUMO: Hebben jullie gezinnen op de treinen gezien ?
George: "Ja, met kinderen van 10-12 jaar sprongen ze op de treinen. Ik heb zelfs gezinnen met baby's gezien. De meeste gingen naar Californië. Wat ze nog aan bezittingen hadden, droegen ze mee in een aardappelzak."
De kinderen van de jaren ‘30. Boven: George, Ernest, Dick, Raymond. Vooraan: Ed.
(Ingescande foto uit Humo © Stephan Vanfleteren)
HUMO: Waar geraakten jullie op de trein?
George: "Meestal bij de watertoren, daar moesten al die stoomlocomotieven stoppen om water te nemen."
Dick: "Wij kropen meestal op de tender achter de locomotief. Daar lag je tussen het vuil van de kolen, maar daar was het ook warm, zo vlak achter de hete adem van de locomotief. Als machinisten wisten dat je achter die berg kolen zat, dan lapten ze ons gemene dingen, ze tankten water aan de watertoren en terwijl het water nog uit de hoos stroomde vertrokken ze. Zodat wij al dat water over ons heen kregen. In de winter was dat vreselijk."
Dick: "Damn, wat was het toch koud toen. Je wenkbrauwen, je voorhoofd, alles leek bevroren. Als je je ogen dicht deed, kwam je scalp eraf!"
George: "De enige die het warm hadden in de winter waren de appelen, dié lagen in verwarmde wagons."
Dick: "Eén keer heb ik het in de winter toch ook warm gehad. Dat was toen ik op een trein met een Indiaanse heb geslapen, dat was nice and warm!"
Ernest: "Je kon het ook lekker warm hebben in de reefers (= de met ijsblokken gekoelde koelwagons). Als die niet met ijs geladen waren, kon je d'r langs boven in kruipen en met die dubbele wand was het warm daarbinnen. Maar het waren gevaarlijke wagons en veel hobo's zijn er van honger en dorst omgekomen! Want als die toegangsklep op het dak dicht viel, kon je er nooit meer uit."
George: "Je kon ook stikken in de tunnels. Eén keer reden we door een tunnel van acht kilometer. In onze wagon zat een vent met astma, en maar hoesten en hoesten. Aan de andere kant van de tunnel was hij dood. De politie is zijn lijk van de trein komen halen."
Ed: "Je leerde alleszins je plan trekken. Je haalde bij de slager wat botten en restjes vlees, een ander schooide wat aardappelen of ajuinen bij een boer, je gooide het allemaal in een emmer met water en zout, je zette alles op het vuur en dan had je de beste hobo stew die er was. Er werd soms ook gezongen en gedanst in de jungle, venten dansten met venten, en iedereen dronk moonshine beer (= clandestien gebrouwen bier). Het was de tijd van de drooglegging. Als je whisky wilde hebben, ging je naar een hotel, je gaf tweeënhalve dollar aan de receptionist en hij zei: aan de vierde weipaal voorbij het erf van boer Smith. En als het donker was, ging je bij die paal graven, en daar in de grond vond je je fles!"
Raymond: "In de stations kwam je kerels tegen met lange jassen met aan de binnenkant wel honderd apotheekflesjes met drank. Soms zat er alcohol in, soms ook thee!"
HUMO: De spoorwegpolitie moet vroeger veel harder geweest zijn.
Ed: "Ja. Ze hadden grote zaklampen en ze schenen in de boxcars en iedereen die ze zagen, sleurden ze eruit. Ze sloegen je met hun baseballknuppels. Of met hun ploertendoder (=gummiknuppel met loden kop). Ze sloegen op je knieën en op je billen, boy!, dat deed pijn."
George: "Of ze stampten je de trein af, dat was in november in Montana. We lagen met zijn achten in een boxcar te bibberen van de kou en de 'bull' stampte alleman eraf, gewoon, plof in de sneeuw. Je wist dat het kon gebeuren. Als je ging slapen, knoopte je je schoenen met de veters rond je nek. Als ze je dan 's nachts van de trein smeten, had je tenminste je schoenen nog."
Dick: "Schoenen moest je hebben, want mij hebben ze een keer in North Dakota van de trein gegooid. Tweeënhalve dag heb ik moeten stappen eer ik opnieuw aan een station kwam. Om te eten klopte ik aan bij boerderijen en dan mocht ik mee aan tafel. Niemand vond het vreemd dat er een kind van dertien aan de deur stond en dat het om eten vroeg. De mensen hadden er al zovéél gezien."
Yuppie hobo's
Hobo's zijn nu nog een begrip in Amerika. Niet alleen door die magere jaren dertig, maar ook door de decennia daarvoor. Want toen Amerika een snelle ontwikkeling doormaakte, putte haar economie doorlopend uit dat leger van treinmigranten. De hobo's kwamen in de tweede lijn na de pioniers en de landverhuizers. Ze waren nodig om (spoor)wegen aan te leggen, steden uit te bouwen en bij te springen in de grote oogsten van de landbouw.
Die tijden zijn nu omgekeerd. Vroeger was men hobo om werk te vinden, nu wordt men hobo omdat men z'n werk kwijt is.
© Stephan Vanfleteren
Hoevéél treinzwervers er nog zijn, daarvan bestaan geen cijfers, maar algemeen wordt aangenomen dat er nog zo'n dertig à vijftigduizend trainriders zijn. Slechts vijf à tienduizend daarvan zijn fulltime, het is de kleine groep van (il)legale gastarbeiders die zich van de ene appeloogst naar de andere perzikenpluk verplaatst, met daarnaast de grote groep van tramps die van voedselbonnen leeft en die met de trein tussen drie-vier staten pendelt om méér bonnen te innen. Het zijn gasten als Rollercoaster, een 3O-jarige die we in Vancouver tegenkomen en wiens bestaan helemaal op die liefdadigheid berust.
Van de staat Washington ontvangt Rollercoaster een welfare cheque van 339 dollar plus 65 dollar food stamps. Die voedselbonnen zijn natuurlijk om eten te kopen, grijnst Rollercoaster, maar "ik ken toevallig een circuitje van grote en jonge gezinnen aan wie ik mijn bons verder verkoop en voor elke bon van één dollar krijg ik 65 cent cash en met die cash kan ik bier en sterke drank kopen." Als zijn centen en bonnen op zijn, gaat hij naar de Voedselbank waar ze gedumpte conserven en andere voedingswaren van de supermarkten uitdelen. Is die opvang dicht, dan haalt Rollercoaster wel brood en soep bij de parochie. En heeft hij kleren nodig, dan gaat hij naar de Sally (=Salvation Army). Zijn die kleren vuil, dan gooit hij ze gewoon weg ("ik kan er in de Sally toch altijd nieuwe krijgen.") Hij kijkt ons lachend aan:" Zeg nu zelf, waarom zou je nog in België blijven?! Kom naar de Gratis Verenigde Staten van Amerika!"" (Slecht nieuws voor Rollercoaster en zijn maats: begin augustus besliste de regering Clinton om het foodstamp-program zowat met de grond gelijk te maken.jh)
Een derde groep 'treinzwervers' is het groeiend aantal trainhoppers & recreation riders, gasten die het voor de kick en het avontuur doen, en die soms een VHF-scanner dragen om de controletoren af te luisteren zodat ze weten waar hun trein staat. De laatste jaren vind je bij die groep zelfs "dokters, ondernemers en reclamemensen", de zogenaamde yuppie hobos.
Desperado's
In Share House waar we 's middags een stevige maaltijd krijgen, wordt de dienst nog altijd uitgemaakt door hardcore tramps. Het opvanghuis is opgericht door Vietnam-veteranen en zij merken dat treinzwervan met de jaren gevaarlijker is geworden.
Phil: "Dat men hier veilig kan slapen en verblijven is de laatste jaren alsmaar belangrijker geworden. Twintig jaar geleden was trainriding nog zo'n beetje de hippiestijl, heel easy going, maar toen had je nog geen train gangs en die zijn er nu wel. En zoals city gangs een stad opdelen, zo zijn er nu ook gangs die de spoorlijnen opdelen. Vijf jaar geleden heeft de politie een bende-oorlog in North Dakota kunnen verhinderen, daar ging het tot een clash komen tussen train gangs van het oosten en van het westen, er was 25O man, gewapend met knuppels, messen en geweren."
Rekent hij de Freight Train Riders of America (FTRA) ook bij die bendes?
Phil: "Op zich was dat geen slechte organisatie. Zij wilden die grote groep van 'trainriders' een beetje organiseren: plannetjes verspreiden van rangeerstations, juridische hulp geven als iemand last kreeg met de politie, en ook hard optreden tegen dieven die andere 'trainriders' beroofden. Als iemand je bestolen had, dan reisde een FTRA-commando de dader achterna en als ze 'm vonden, dan moest ie voor straf de handen op de rails leggen en dan sloegen ze met een knuppel tot z'n vingers braken. Maar met dat volksgerecht kreeg je een vlaag van onderlinge afrekeningen, mensen werden afgedreigd om hun geld af te geven, zwervers werden zomaar van de trein gegooid om hun bezit in te pikken, en zo heeft de FTRA een heel slechte naam gekregen. Maar je hebt nog altijd bonafide leden, ik zie ze hier ook, en het zijn de meest gehaaide van allemaal; het zijn desperado's die élke trein kunnen pàkken en die zélf nooit te pakken zijn."
Sixpack, “on the run” na 13 jaar gevangenis. © Stephan Vanfleteren
He's my brother
In de Southern Pacific yard van Portland zullen we vandaag een van onze laatste treinen nemen. De locatie is uniek want naast het roestbruine rangeerstation ligt de felgroene pelouse van een golfterrein en daar slaan executieve Amerikanen en Japanners hun hagelwitte ballen. Pok! Pok! ...wat een perfecte soundtrack als je met je hoofd op je armen in het gras ligt. Tweehonderd meter verderop zitten nog twee zwervers -een blanke en een zwarte- die luid uitmaken wie nu bier moet gaan halen. We halen dan maar zelf een paar kouwe blikken, dé credit card die in deze middens algemeen aanvaard wordt. We zeggen onze namen, zij zeggen dat ze Sixpack en Good Time Charlie heten. Het zijn twee namen voor een film en ook twee koppen voor een film.
SIXPACK (De Slechte): Heeft van zijn achttiende tot zijn eenendertigste in de gevangenis gezeten. Is nu al sinds een jaar on the run. Gebruikte vroeger heroine, nu amfetamines, hasj en alcohol. Biker en lid van de Bandido's. Sterk en gespierd (" in de gevangenis deed ik elke morgen 4OO push ups ".)
GOOD TIME CHARLIE (De Goeie): Ex-para-commando. Houdt van treinen. Houdt van vogels. Houdt van mensen. Eerder timide. Drinkt. Drinkt veel. Om te vergeten. Ze heet Renéé zegt hij, mijn dochter, mijn enig kind, ze is zeventien en ze is knap, blond haar, bruine ogen, I love her, I miss her. Honderd keer zal hij het nog zeggen. Op steeds diezelfde zachte verdrietige toon. I miss her, I miss her so much! En dat hij haar vijf jaar niet meer gezien heeft, en dat hij haar zo graag ziet, en dat hij haar nu niet meer ziet, en tranen in zijn ogen, van het vele drinken en van die vijf jaar verdriet. En Good Time Charlie zegt dat hij elke avond bidt. Jezus, bescherm mijn dochter. Jezus, bescherm mijn dochter. En dat hij op de treinen rijdt omdat hij zoveel vragen heeft. Eerste vraag. Wat Is Liefde? Tweede vraag. Waarom gaan mensen die van mekaar houden toch uit mekaar? Derde vraag...
Sixpack arriveert met een sixpack, haakt een blik los, zet het aan de lippen, boert los door Charlie's monoloog en zegt dat het tijd is om op te stappen, hij heeft een boxcar voor ons. Wij pakken onze bagage. Good Time Charlie komt niet overeind. Sixpack zegt: opschieten. Good Time Charlie zingt zachtjes My brown-eyed girl . Sixpack zegt, we gaan. Maar Charlie gaat niet.
Na een half uur wachten is Charlie nog niet in de wagon. Gonna rescue him, zegt Sixpack. Na een kwartier komen beide aangestapt. De Goeie en de Slechte. De Sixpack van de bandana en de tatouages, dé Sixpack van de gevangenissen en de drugs en de motorbendes, dé Sixpack die Shut up! snauwt als Charlie over zijn dochter begint, dié Sixpack drààgt de bagage van Charlie. Alle vodden, alle zakken, alle plastic rommel van goedzak Charlie die schaapachtig achter hem aan loopt. The brotherhood of the road is het, en dat is niet de vriendschap van jaren, maar de kameraadschap zolang het duurt. Want morgen zal Sixpack hem misschien uit de wagon schoppen omdat hij dat gezever over die dochter beu is, maar nu is het nog He ain't heavy, he's my brother.
Good Time Charlie. (Ingescande foto uit Humo © Stephan Vanfleteren)
Sixpack is kwààd omdat het zijn manier is om ongerust te zijn. "Die rotzak lag daar op de spoorwegberm. Met zijn stomme kop op een halve meter van de spoorstaven. Klaar om in spijs gereden te worden, die dwaze kloot was bijna dood! " Charlie schudt heftig van nee, dat hij geen dommekloot is, dat hij gewoon aan het kijken was op welk spoor onze trein kwam. In de pakwagen zal Charlie blijven rondscharrelen, dat hij nog een deken heeft voor Sixpack, hier is het Sixpack, en je bent mijn vriend Sixpack, en Sixpack zit op zijn gat en rookt een sigaret en zegt:"Shut up, Charlie. I am not listening, Charlie." En zo zijn die twee met mekaar in “gesprek' gewikkeld tot ze in slaap vallen, ieder in zijn uithoek van de boxcar.
En in plaats van vier uur doet deze trein der traagheid er acht uur over om ter bestemming te geraken en dan moeten we nog één keer overstappen. En omdat we de trein naar het zuiden al klaar zien staan, springen we uit de trager rijdende trein, het is tussen springen en vallen op de scherpe stenen van het ballast, en de rugzakken liggen twintig meter terug, die hadden we eerst gegooid en dan is het rennen naar de nieuwe trein en een lege pakwagen is snel gevonden, en in een andere trein op een ander spoor heb ik gewatteerde kartons zien liggen waarop je heerlijk kan slapen, en ik waag het erop, maar ik geraak er niet, ik moet terug, want ik hoor de remmen loskomen op onze trein, téken dat hij vertrekt, en Stephan roept, ik hoor hem in de donkerte tussen de twee treinen, ik moet nog zeker twintig wagons lopen, dat is driehonderd meter, en vanaf het vertrek van de trein heb je nog één minuut de tijd om erop te springen, daarna rijdt hij te snel, en dan zie ik hoe Stephan zijn arm uit een wagon steekt, sprintje tot daar , deurgrendel vastgrijpen, benen in de lucht zwaaien en met een fijne swing land ik in de rijdende pakwagen, geheel volgens het avonturenboekje.
Harold de zalmvisser, en het afscheid aan de trein
Eigenlijk heeft het iets macho, dat op de treinen springen en klimmen, dat optrekken aan die ijzeren grepen, die grip te voelen met je leren handschoenen, die ladder te voelen met je hoge stugge schoenen en die ijzeren vloer te voelen onder je ruwe spijkerbroek. En tegelijk is er dat gevoel van kwetsbaar te zijn, je hebt wel greep op die trein, maar één onverhoedse schok van die machine en je ligt onder de wielen. Want het blijft toch maar een beetje mensenvlees, twee ampele handen en twee ampele voeten die je bovenop die stalen reus zet die vijftienhonderd meter lang is en bijna vierduizend ton zwaar.Maar eens je in die boxcar zit en de trein zijn kboem kboem ritme heeft gevonden, is het alsof je thuis zit, en je zou bijna een haardvuur ontsteken in die wagon met alle verhalen die dan beginnen los te komen.
Zoals met Harold die we vandaag tegenkomen. Hij is vijfentwintig, heeft nooit eerder op een vrachttrein gereden, heeft nauwelijks bagage bij zich, een jas en twee dekens, maar hij heeft wel duizenden kilometers achter de rug, want hij komt van Texas en hij is helemaal onderweg naar Alaska, een 'killer trip' van 83OO km. Voor de kust van Alaska gaat hij drie maand op de zalmschepen werken. Harold weet hoegenaamd niks van zalm en zalmvissen, hij heeft gewoon de foto's gezien in een magazine, en die waren fantastisch, en hij is vertrokken om 5OOO dollar per maand te verdienen en zestien uren per dag te werken, en hij heeft de blinkende pagina's nog bij waarop het allemaal staat. En ik zou die zwarte Harold van het gloeiende zuiden wel eens willen zien in het ijskoude tempeesten van de Bering Zee, maar hij zegt dat het best gaat lukken, daar bij de noordpool.
En zoals hij op een deken ligt te slapen op de harde vloer van de boxcar moét je wel aan het slaaplied Hobo's Lullaby denken:Go to sleep you weary hobo/ Let the town drift slowly by/ Listen to the steel rails humming/ Well, that's the hobo's lullaby//// Do not think about tomorrow/ Let tomorrow come and go/ Tonight you have a nice warm boxcar/ Free from all the ice and snow.
Harold, onderweg van Texas naar Alaska om zalmvisser te worden. © Stephan Vanfleteren
Boxcar blues
Zo leggen we onze laatste tweehonderd kilometer af. Om alles nog één keer diep in ons op te nemen blijven we in de deur staan tot het buiten helemaal donker is. Als afscheid steek ik mijn handschoenhand op naar de roodrinkelende overwegen, naar de donkere dennen die je haast kan aanraken, naar de heldere sneeuw op een berg verweg en naar de sterren in de koude lucht die een trein zien rammelen over een ijzeren weg, en eigenlijk kan ik niet beter afscheid nemen dan met dit vrij vertaalde stuk Jack Kerouac uit The Lonesome Traveler:- Hoe vaak ik nog terugdenk aan het kriepen en piepen van de boxcars en de flatcars en de gondola's, dat hele overweldigende kraken en klikken en klakken van staal over staal op staal, dat schudden en beven van dat hele stalen gedoe, één pakwagen heeft zijn rem nog op, dat schuren en slijpen dat zich in heel dat trage monster voortzet- (...) Onderweg de kleine huizen als het avond wordt, met mensen die nog een glas drinken met de vensters open en kinderen die in hun bed liggen en naar buiten kijken en een ster zien boven de spoorweg en een trein horen fluiten, en oh, ik wou dat ik een kind in een bedje was in zo'n huis, met mijn ouders die beneden nog iets zitten te drinken en met het open raam naar de tuin waar nog tuinstoelen staan en waar de geteerde omheining is en daarboven de sterren en dan die gulden geur van de avond die valt en achterin die tuin een stapel hout en nog wat autobanden en daarachter de rails van die ouwe Southern Pacific en de trein die in een flits van licht en schaduw voorbij komt, toem tboem, die grote klap van de zwarte locomotief, en dan die lange slang van wagons en al die witte cijfers en al wat nog voorbijflitst in die krakende donder die op dat flitsen volgt, en alles de hele wereld gaat voorbij tot aan de laatste wagon waar de ouwe conducteur bij een donker lichtje over papieren gebogen zit en dan het rooie licht op het eind, en alles dat in een bocht verdwijnt en de sterren die meedraaien en meebuigen en heel de wereld die wordt meegezogen in de vlucht van de trein en wow, er komt gewoon geen einde aan dat lange langgerekte janken en fluiten."
Zie ook deel 5: een klein hobo-foto-album
Writer in (boxcar) residence. © Stephan Vanfleteren