Experimenteel reizen in eigen land (4): met een gocart de grens over
© Stephan Peleman
De pedaalridders: twee man en een paardenkop bij 5 Beaufort
Humo 24/7/07 licht herwerkt , uit de serie “Buitengewone Dagtrips” © Jan Hertoghs
Lees hier deel 1: rugzaktoerist in eigen stad
Lees hier deel 2: de pionier van de maffe reisformules
Lees hier deel 3: in volle zomer liften met een slee
Ons experiment van vandaag valt onder de noemer Slow Travel: reizen met een traag en ongewoon vervoermiddel. In de Lonely Planet for Experimental Travel (van de pionier Joël Henry) is sprake van ongewone verplaatsingen per tractor en per draagstoel, maar wij nemen patent op een zeer Belgisch vervoermiddel: de gocart van de kust aka de cuissetax. Daarmee zullen we ons naar het buitenland begeven, de grens over. Wat allicht nooit eerder gedaan is met zo'n dijkvoertuig.
Ik surf naar een paar fietsverhuurcentra aan de kust en zo opent zich de wonderlijke wereld van alles wat met per pedaal wordt aangedreven. Eenden, bijen, schildpadden, locomotieven, tanks, takelwagens, ideaal voor de kleine voetafdruk. Het gamma voor de volwassenen is beperkt, maar ik weet nu al: als ik een kar met een paardenkop zie, dan neem ik die!
Een co-trapper is snel gevonden. Ik bel naar Dieter Coppens (29) die samen met zijn neef Mathias Coppens te zien was in de geweldige lift-avonturenserie The Road Ahead (TMF, 2002) en De Poolreizigers (Kanaal 2, 2003). Dat ik Coppens vraag is niet alleen vanwege zijn bekwaamheid op het gebied van de plantrekkerij maar vooral vanwege zijn fenomenale traptechniek.
Dieter is gelijk enthousiast: "Man! Dat is altijd mijn droom geweest om met zo'n gocart op reis te gaan! Ik wil daarmee zelfs naar Afrika! Hoelang blijven we weg? Een week?" Ik zeg dat het voor één dag is. Ook goed natuurlijk.
Een week later overleggen we over de "inkleding" van onze kar. Dieter wil iets "als de cabine van een vrachtwagen". Dus met onze voornamen JAN en DIETER "op een nummerplaat achter de voorruit". En nog op die voorruit zo'n omkaderend lint met de vlaggetjes van Europa en uiteraard ook "zo'n dikke bekerhouder voor de koffie". Ik pleit voor een sobere aanpak. Als we die kar met teveel fransjes optuigen, dan gaan de mensen denken: het is ludiek, het zijn grapjassen, laat die maar gerust. Als we het sober houden, dan gaan ze misschien denken: "die twee zijn de weg kwijt", dat gaat betere gespreksstof opleveren.
Ik kijk alvast ook mijn internationale reisbijstand na of we vanuit een ander land kunnen teruggesleept worden naar België, maar er is nergens sprake van de verzekering van een huurvoertuig.
De aangekruiste dag in onze agenda is vrijdag 6 juli, de eerste droge dag temidden van een aanhoudende natte periode, maar toch met één nadeel: een wind van vier Beaufort. Twee dagen voor het vertrek is die verwachting aan de kust al opgelopen tot zés Beaufort. Die windkracht staat in een weerboek aangegeven als krachtige wind: 39 tot 51 km per uur, dit betekent: kleine en grote takken bewegen, wind fluit in de draden, zeegolven drie meter hoog. Dat klinkt niet bepaald als een briesje.
Wat de fysieke conditie betreft. Ik doe geen sport, ik doe alleen wat dagelijkse verplaatsingen met de fiets en de eerste en de laatste keer dat ik op de zeedijk in zo'n Harley Trapson heb gezeten, was vijftien jaar geleden. Toen was het voor een half uur. Nu gaat het een hele dag zijn.
© Stephan Peleman
Bijt maar op uw tanden!
Het radioweerbericht is niet mals. Aan zee kan de westen-tot-zuidwesten wind "hard waaien met pieken tot 70 km per uur". Enige troost: het blijft wél droog met temperaturen tot negentien graden. Langs de snelweg tussen Jabbeke en De Panne beweegt àlles: de bomen zwiepen met hun takken, de meeuwen scheren met een rotvaart wind-mee en zelfs de auto ondervindt hinder van de windstoten. Als zo'n wagen van meer dan duizend kilo al impact ondervindt, wat gaat het dan worden met zo'n speelgoedkar op dunne wielen?!
Tussen de huizen en de straten van De Panne is de wind nog luw, maar als we op de zeedijk komen stuift het zand in sluiers over de promenade. Er zijn maar een paar vakantiegangers te zien die even naar de woeste zee komen kijken en dan weer beschutting zoeken in de zijstraten. Terwijl het zand ons in de oren suist, stappen we binnen in het fietsverhuurbedrijf met de geheel toepasselijke naam Arizona. Er zijn geen andere klanten.
De karren "voor de groten" staan uitgestald op het strand. We vallen onmiddellijk op een driezit met een groot paard, maar omdat we het ding bijna niet uit het zand gemanoeuvreerd krijgen, lijkt het ons te log voor de tocht. De jobstudent verzekert ons echter dat het "één van de lichtste" is om te trappen. We twijfelen en vragen een proefrit, honderd meter tegen de wind in. We zetten de voeten op de trappers, het paard schokt vooruit in de bulderende wind en allebei schieten we in een onbedaarlijke lach, riders on the storm! Dit moet toch lukken!? Zeker met dit mooie paard, met zijn glanzend witte flanken, zijn wapperende gele manen en zijn wilde zwarte oogbollen, één en al drift en temperament!
We willen de eigenaar vooraf niet veel vertellen, niks over een hele dag weg zijn en niks over Frankrijk, maar omdat het raar is dat we ons met dit weer absoluut op de weg willen wagen, geven we toch enige verklaring, iets over "wat rijden, wat foto's maken en mogelijk een halve dag weg zijn."
De man van Arizona zegt dat het goed is, maar of wij wel weten waaraan we beginnen? En met toegeknepen ogen naar de zee: "Nu is de wind nog te doen omdat het afnemende tij is. Maar deze namiddag, met de vloed, zal het hàrder gaan waaien." We knikken dat we het aankunnen. "Ja, afzien is goed voor een mens!", knikt hij, "bijt maar op uw tanden! Als ge ze tenminste op elkaar kunt houden met die wind!" En dan klappert hij grijnzend met zijn gebit. In films heb je àltijd van die bemoedigende figuren bij het begin van een avontuur.
Zeer zwakke weggebruikers hebben voorrang in De Panne. © Stephan Peleman
Uitzonderlijk transport
We rijden tweehonderd meter op de dijk. Passanten lopen met gebogen hoofd voor ons uit, hun hand half voor hun ogen. Uit de andere richting - wind mee- komen kinderen op hun step, die komen aangevlógen.
Achter de hoek pimpen we de kar op voor de lange trip. Kussens op de harde zitjes, een achteruitkijkspiegel voor de veiligheid, en achteraan een oranje plakkaat Uitzonderlijk Transport - Convoi Exceptionnel. In de 'zadeltas' op de rug van het paard komen regenzeilen, snelbinders en ducktape voor mogelijke reparaties. Op het zitje tussen ons is plaats voor kompas, wegenkaarten, appelen, water, chocola en druivensuiker. Ik zuig op een suikertablet, het zand knarst al tussen de tanden.
Start! We schuiven onze kar meteen tussen het autoverkeer op de hoofdstraat. En lachen natuurlijk, en met de fietsbel rinkelen, en naar de mensen wuiven, allo! goeiemorgen! bonjour! Dat krijg je als grote mannen zich als klein mannen gaan gedragen.
Dieter is de stuurman, maar hij moet nog wennen aan het stuur, een éénarmige stang die uiterst gevoelig reageert. Het voorwiel zwenkt onmiddellijk in een haakse bocht bij te hard sturen, ik moet me dan uit alle macht vastklampen om niet van de kar te tuimelen. Een passerend gezin ziet ons over straat laveren en één van de kinderen moet vreselijk hard lachen, te hard om nog sympathiek te zijn.
We slaan een zijweg in en komen in rustiger straten met riante villa's. Vijfhonderd meter hebben we gereden en er zit al een slag in mijn rechterpedaal. De trapper zit wat los én ook niet haaks op de pedaalarm waardoor hij bij elke trap tegen het metalen frame knikt en knarst.
Wat nu ook hevig tot ons doordringt: de versnelling van zo'n gocart is een héél kleine versnelling. Dieter ziet een gelijkenis met de waterfiets, "dat is ook trappen-trappen-trappen en amper vooruit geraken". Dat iemand die "doortrapt" synoniem is voor iemand die "zot" is, begrijpen we nu beter.
Wuiven en terwijl ook de bestuurder verwittigen dat de zijdeur van zijn gocart open staat. © Stephan Peleman
La douce France
We zijn nog maar een kilometer weg van de zeedijk en nu al hebben we veel bekijks; vooral van automobilisten die ons inhalen: hun verstoorde blik spreekt interessante boekdelen. We laten de processie achter ons niet te lang aangroeien, acht auto's is de norm en dan gaan we in de kant staan. Soms wuiven ze aanmoedigend, soms claxonneren ze ongeduldig zoals die ene Volvo die ons zonder pardon in de kant dwingt. Hij heeft natuurlijk een pak PK's onder zijn gat zitten tegenover die ene horse power van ons.
De fotograaf die een half uur in ons spoor heeft gehangen, heeft onze snelheid gemeten: het blijkt dat we toch tien à twaalf per uur halen tegen de wind in.
Aan Manège't Peerd worden we aangesproken door een kwieke Franse voetganger in korte broek. Où allez-vous? La France? Olalala! Bonne idée! C'est pas loin!
Kort voor de middag bereiken we de grens; en het liefst hadden we een slagboom en een norse beambte gezien (Rien à déclarer? Un cheval, monsieur!), maar sinds het Verenigde Europa moeten we content zijn met het blauwe bord en de gele sterren. Het oude tolkantoor is nu zelfs een pralinewinkel van Leonidas.
Voor het vertrek bandenspanning controleren en gezonde zeelucht bijpompen. © Stephan Peleman
Bray-Dunes is het eerste Franse dorp en bij elke fleurige bloempot of tropische plant in de voortuin, verzuchten we: ah la France! la douce France! en intussen waait het stof in onze oogkassen.
Bij een kleine bakker die zijn etalage heeft ingericht met een namaakvuurtoren, namaakvisnet, namaakgarnalen en namaakzeesterren kopen we twee koffiekoeken. Een Franse mens met zijn baguette onder de arm vraagt waar we vandaan komen: van Antwerpen? Toch niet helemaal te paard, zeker? Hij is geïnteresseerd. Maar talrijker zijn de klanten die ons straal negeren of die ons kort toeknikken met een afgemeten M'sieurs!
Ze moeten van ons niet achterover vallen van verbazing, maar ze moeten ook niet doen alsof hier àltijd een trapfiets én een polyester paard bij de bakker staat.
Wat we volop zien in dit Noord-Frankrijk is kitsch in de tuin, met herten, kabouters en stenen vissen, maar ook pneus fleuris. Men snijdt zo'n autoband in twee, men werkt het profiel aan beide kanten open zodat zich in het midden een korf vormt, men schildert 'm wit en hangt 'm aan de voorgevel met geraniums erin. Een schone recyclagetraditie die in België nog nauwelijks bestaat.
Bray-Dunes heeft het voor ons. Van achter de autovoorruiten worden gebaren gemaakt, allez! allez-y!, en één mevrouw waarschuwt heftig, attention! il y a des gendarmes plus loin! Daar hebben we stiekem op gehoopt, op zo'n opgeheven witte handschoen, messieurs, u weet toch dat dit in Frankrijk ten strengste verboden is, zet uw voertuig maar even aan de kant, vos papiers s' il vous plaît! Maar het zijn douanes, ze staan gebukt over een autokoffer en ze zien ons niet eens passeren.
Net over de grens in Bray-Dunes. Ons stokpaard ziet voor het eerst stokbrood van een Franse bakker. © Stephan Peleman
We zwaaien vanaf nu naar àlle passanten en naar alle kinderen aan het raam. Als wij plezier hebben, dan de anderen ook! Eén vrouw op de fiets kijkt zuur en blijft zo kijken. In haar blik lezen we verongelijkt kiesgedrag en de gedachte "of wij niks beters te doen hebben ?!" Volwassenen op een vrijdagmiddag, die moeten wérken.
Het is ook werken met die zware wind op kop. We rijden nu aan een tempo waarbij we elk detail op en naast de weg langdurig kunnen bekijken: elke brievenbus, elk rioolrooster, elk verkeersbord, elke vuilnisbak, elk stuk stippellijn op het asfalt.
Wind in de zeilen
In Ghyvelde fluit de wind om de kerktoren en hangen de gemeentelijke bloempotten heen en weer te zwaaien aan hun sierpalen. De reclameborden van café en krantenwinkel liggen om, niemand doet nog moeite om ze wéér eens op te rapen. We houden rust aan het monument van de gesneuvelden en we parkeren ons paard binnen de lijnen van een parkeervak. Het beest zelf is niet te houden, het galoppeert onafgebroken verder, hevig briesend door zijn zwarte wijd opengesperde neusgaten. Het is een schoon beest, dat paard van ons.
Buiten Ghyvelde zien we de weg klimmen, een brug over de snelweg! We rijden misschien zeven per uur en nu krijgen we ook nog een col buiten categorie voor de voeten! Terwijl we traag vorderen, steekt een chauffeur ons voorbij, vuist omhoog voor zijn spiegel, komaan! géven! alles géven! We raken hijgend de brug op, genieten geen seconde van het vergezicht op Duinkerke, maar storten ons gelijk in de afdaling. Dat is lachen-gieren om plots zo hard te gaan, maar onderaan de helling is het al gedaan: met die korte-beentjes-trappers is het onmogelijk om in de afzink snelheid te maken. De zware gocart bolt nog twintig meter uit en dan is het weer aan de twee hamsters om in de tredmolen te stappen. In het voorbijrijden van een camping krijgen we nog goeie raad nageroepen: "Hang een carotte voor zijn snuit, dan raakt ge rapper vooruit!!"
© Jan Hertoghs
In Uxem is de schatting dat we twintig kilometer hebben gedaan, op drié uur rijden... Bij het café trekken we de handrem op en snoeren die vast met een snelbinder zodat de kar niet kan wegrollen. Het is lastig overeind komen, de benen zijn stram, hoofd en ogen doen pijn van het geraas van de wind. In de Bar Tabac krijgen we een bol soep met brood, die soep komt uit de eigen diepvriezer, speciaal voor "les chevaliers de La Panne". Het is zo'n café waar ze een knijptang komen halen om hun mobylette te herstellen en waar de facteur de post bestelt en elke klant de hand schudt, Messieurs!
Na Uxem beginnen we voor het eerst zijwind te krijgen. In de zadeltas zit een nylon poncho tegen de regen en die spannen we rond het lijf van het paard zodat de wind zijdelings in dat 'zeil' kan blazen en we toch enige aandrijving kunnen opwekken. De constructie is afgekeken van de poolexpedities van Dixie Dansercoer!
Onze knol zit driekwart onder zeil, de wind geeft van jetje, maar onze zeilsnelheid is bedroevend traag. Dat is makkelijk vast te stellen via onze mobiele snelheidsmeter: een kever die ons moeiteloos kan bijhouden in de kant van de weg.
Na een bocht pakken we meer wind en net als we denken dat we snelheid maken, schuift het zeil van het paard, rolt onder zijn voorwiel, kruipt in zijn as, en... einde experiment.
We zetten het poncho-zeil in. De techniek is afgekeken van poolreiziger Dixie Dansercoer. © Jan Hertoghs
Langzaam verkeer
Het landschap dat zich intussen -ook langzaam- ontplooit is een beloning. Naar alle kanten strekken de korenvelden zich uit en de zon schijnt op de rijpe aren en de wuivende halmen. Op een grote nieuwbouw houden drie dakwerkers zich met moeite staande door de wind, maar toch zwaaien ze met hun vrije hand, allez-y les gars!
We zien stevige panlatten liggen, we vragen of we d'r enkele mogen hebben, jaja, pak maar mee, en die grote elastieken mogen we ook gebruiken.
We sjorren boven elk achterwiel een lat vast, we spannen de poncho ertussen en nu hebben we een fameus rugzeil. Nog tweehonderd meter tot over he kanaal en dan moeten we die felle zuidwester pal in ons gat hebben!
't Is een fantastische weg langs het Canal de la Basse Colme. Links het water, rechts de verweerde palen met de telefoondraden en daartussen een vlekkeloze asfaltweg. Als we flink trappen en het 'dode punt' van die kar (= 9O kilogram én twee inzittenden) kunnen overwinnen, dan zeilen we vooruit. Met de voeten weg van de pedalen halen we toch zo'n 12 à 15 per uur.
Er wordt nu nog meer gewuifd en geglimlacht bij die combinatie paardenspan & zeilboot, c'est sympa. Tegelijk wordt er ook snel auto gereden. En omdat ons achterzeil ons gezicht én gehoor belemmert, merken we dat achteropkomende verkeer niet altijd op. We zien het wel als ze ons met een nijdige zwaai voorbijsteken. Twaalf per uur rijden op een weg waar 90 is toegelaten en intussen een rijvak innemen, het wordt niet altijd in dank afgenomen.
Ons paard voelt zich hier nochtans thuis tussen de velden en de weiden en de boerenhuizen. Het draaft en draaft en voelt zich bevrijd. Verlost van die enge zeedijk, verlost van die rotkinderen en hun kleverige crème glace in zijn nek!
Ons paard vlakbij de paardenmolen in Hondschoote. Wederzijds gehinnik van herkenning! © Jan Hertoghs
Paardenmolen
Rond de hoge hoekige kerk van Hondschoote staat de zomerkermis opgesteld die vanavond open gaat. Alles staat hier nog met de zeildoeken omlaag en vanzelfsprekend parkeren we ons paard bij de paardenmolen. Net op dat moment breekt de carillon los in een tuimelend klokkenspel en dat is een schone entree in dit oude stadje.
We drinken koffie op een caféterras, halen chocoladebroodjes bij Au Bon Pain de France en zien met genoegen hoe een papa met kind op de arm naar ons paard staat te kijken. Het kind mag het paard aaien, braaf paard, braaf. En nu we het vanop een afstand zien staan tegen dat donkerrode zeil van die afgedekte paardenmolen, ja, dat doet ons iets. De aanhankelijkheid tussen mens en polyester dier, het is iets bijzonder.
We vertrekken langs kramen en lunaparken, de rups draait al en alle opgeschoten jongens roepen ons na. Voor vijf seconden zijn wij de attractie en niet de meiden op de rollercoaster.
Voorbij Hondschoote hebben we de wind flink in de zeilen en komen we vooruit zonder te trappen. Maar tien per uur is ons te traag. Dat zeil moet bol staan! Dat zeil moet bijna scheuren! En die kar moet zo voortjakkeren dat we ons krampachtig aan stangen en ijzer moeten vasthouden. Het moet hard gaan! Keihard! En die banden moeten van pure vitesse gaan ronken op het asfalt! Dat denken we terwijl we stapvoets vorderen.
Te voet gesteld
Iets na vijven steken we opnieuw de grens over met België. In Houtem loeien de koeien rond de robuuste kerktoren en vandaar is het nog veertien kilometer naar De Panne. Daar zijn we dus in een goed uurtje, maar dan loopt de weg iets meer naar het noordwesten en zo krijgen we zijwind in plaats van rugwind. Die ommezwaai treft ons in het meest effen deel van de Westhoek, de uitgestrekte platte polders van De Moeren, waar de harde wind zuiver spel heeft op zo'n buizenkar met een zeil achterop. Erger nog, bij elke vijfhonderd meter die we trappen, kruipt die zijwind één graadje meer richting tegenwind. En dat graadje blaast in ons nadeel, dat remt en stremt ons alsmaar meer en trappen is nu alleen nog hijgen geworden. De man van Arizona had ons verwittigd, met hoogtij zal het nog harder waaien. (Later zal blijken dat op dat tijdstip in De Panne windsnelheden zijn gemeten van 72 km per uur,jh)
Normale verstandige mensen zouden die zeilconstructie allang hebben afgebroken, maar omdat we het zo ingenieus in elkaar hebben gesjord met stokken, ijzerdraad, en dikke windels textieltape willen we het zomaar niet ontmantelen. Trouwens, binnen één kilometer gaat de weg weer meer noordoost, dàn gaan we opnieuw kunnen profiteren!
Hoge en lage bomen vangen véél wind. Ons rugzeil vangt nog geen honderdste van 1 Beaufort. © Jan Hertoghs
Die koppigheid met dat zeil maakt zelfs dat we uit het zadel moeten. En wat blijkt? Te voet die kar duwen gaat sneller dan zitten en trappen! Naast die kar stappen is zelfs een ontspanning, want alles onder de romp - de liezen, de knieën en de kuiten- doet pijn van dat eeuwige zitten en dat amechtige trappen.
Het is prachtig weer nu. De zon schijnt, de wolkenschepen zeilen voorbij zeilen (zij wel!) en het ruisende riet buigt bijna met de toppen tot op het water. Dan is de rugwind er even terug, maar na hooguit 500 meter zwenkt ie weer tegen ons en worden we toch gedwongen om het zeil te strijken. De twee kale panlatten blijven staan als masten zonder canvas.
De weg die we op een oude fietskaart hebben uitgestippeld wordt dan ook nog eens veldweg en later een karrenspoor, we moeten de kar strompelend doorheen slijk en hoog gras duwen.
45.000 x tik!
De laatste twee-drie kilometer naar De Panne gaan over asfalt, maar het zijn de laatste loodjes en die wegen onnoemelijk zwaar. Met een allerlaatste krachtinspanning overwinnen we de brug over de snelweg en dan is de fut eruit. We passeren Plopsaland, met kabouter Plop op de rotonde, maar er komt geen grap meer over onze lippen. De vermoeidheid heeft het overgenomen en flauwe woordspelingen als "wij gebruiken De Panne-latten" of "wij rijden De Panne van het dak" komen niet meer in ons op. 't Is op.
© Jan Hertoghs
Alleen in de laatste kilometer gaat ons paard weer galopperen. Het ruikt zijn stal, lees: we zijn nu in de luwte van de huizen. Het is tien voor zeven als we in Arizona aankomen, drie uur later dan voorzien. Uitbater Filip ziet ons over de stangen hangen en grijnst: "Precies goed getrapt vandaag?!" En dat we deze voormiddag nog geen half uur weg waren of hij kreeg al telefoon: "Filip! Hier bij Adinkerke zijn twee volwassenen met kar en paard van u onderweg. Die rijden naar Frankrijk. Dat is niet normaal. Die gaan zeker die kar stelen!" Maar hij had vertrouwen in ons en had zich niet ongerust gemaakt.
Als we vertellen tot waar we in Frankrijk zijn geweest, schudt hij zijn hoofd. Zijn familie verhuurt hier al vijfenveertig jaar, "maar nog nooit is iemand zo zot geweest om zo ver te rijden." En als hij hoort van het zeil opzetten bij Hondschoote was hij d'r zelf graag bij geweest, "dàt had ik willen zien! daarvan had ik een foto willen maken!"
Hij wist ook van de slag in het pedaal en excuseert zich, "had ik geweten dat jullie zo ver gingen, dan had ik 'm vooraf vervangen."
Eindbilan. Volgens de stafkaart hebben we 45 kilometer gereden, dat zijn dus 45.OOO 'tikken' met een slingerende pedaal. Vijfenveertig km afleggen op vijf uur, dat is een gemiddelde van 9 km per uur. Wat niet slecht is omdat we op tweederde van het traject tegenwind of hinderlijke zijwind hadden. En voor wie toch nog de schouders ophaalt. Zet je fietszadel in de allerlaagste stand, zorg dat je knieën zowat je ellebogen raken en doe dan 45.000 meter in de kleinste versnelling. En bij minstens 4 Beaufort. Allez-y!
Sidecar van de gocart: een foto-addendum
Meer zuur in de spieren dan wind in de zeilen, het was een memorabele dagtrip.
Hieronder nog meer foto’s. De meeste van Stephan Peleman . Dit is zijn website.
Ingescand uit Humo juli 2007