Lege treinen en stille overwegen (1): de laatste onbewaakte spoorovergangen

Tijdens corona liep de bezetting van de Belgische treinen terug tot 5 procent. Intussen nemen meer mensen de trein, maar eind mei was er in de spitsuren nog altijd maar een bezetting van 9%. Met als gevolg: de overheid die vanaf midden augustus gratis treinpassen gaat bedelen om de mogelijk nog lege treinen te bevolken.
Wie echt de meest lege en allerstilste plekken van de Belgische spoorwegen wil bezoeken, moet op zoek gaan naar de laatste onbewaakte overwegen.
In 2009 waren er nog 298. In 2018 waren het er nog 230. 

Sinte Apollonia Aalst © Stephan Vanfleteren

Sinte Apollonia Aalst © Stephan Vanfleteren

“Paarden weigeren hier soms over te steken. Ze hebben schrik van de blinkende staven.”

Humo mei 2009 - herwerkt en ingekort © Jan Hertoghs

Spoorlijnen lopen eigenmachtig door het land. En waar ze wegen kruisen is er een overweg. Met een bel en een lichtsignaal en vaak ook een slagboom. Maar tegelijk zijn er nog 298 onbewaakte overwegen in dit land. De stille overwegen. Zonder slagboom, zonder bel, zonder licht. Ik heb ze gezocht. Omdat het plaatsen zijn waar nauwelijks iemand komt. Omdat het plaatsen zijn waarvan men amper het bestaan vermoedt. Dat hield een belofte in. Van onvermoede verhalen. Van ontdekkingen in het achterland.  

In de zomer van 2008 begon m'n zoektocht, en dat de rand van Aalst boerenland zou zijn, dat had ik niet kunnen denken. Er staat een paard in de wei, koeien kauwen op het middaguur en tussen de twee weilanden loopt een veldweg. Amper nog begaan, maar toch worden mogelijke weggebruikers verwittigd met het bord van de onbewaakte overweg: een zwarte stoomlocomotief in een rode driehoek van gevaar.
Dat gevaar is maar moeizaam te bereiken. Ik moet me honderd meter een weg banen door opgeschoten gras. De krekels sjirpen in de warmte. De witte wolken drijven door de blauwe lucht. En dan is er de laatste waarschuwing, het roodwitte sint-andrieskruis. Met daarachter spoorlijn 82, van Aalst naar Burst. De ijzeren weg ligt er roerloos bij. De treinen zijn nog ver achter de einder. Er is alleen het suizen van hun afwezigheid en de trillende hitte boven de glanzende rails.

Sinte Apollonia Aalst © Jan Hertoghs

Sinte Apollonia Aalst © Jan Hertoghs

Aan de andere kant verdwijnt de veldweg in een wirwar van netels en distels. Houtduiven en kraaien vliegen op, én een wielewaal. Làng geleden dat ik die schuwe vogel nog gezien heb. En zelfs hier staat  een waarschuwend bord voor mogelijk verkeer dat nadert vanuit die  overwoekerde richting. Weer en wind hebben gaten gemaakt in de gevarendriehoek die ooit een gift was van de Royal Automobile Club de Belgique. Zo'n emaillen bord dateert van de jaren dertig. In het land reden toen meer treinen dan automobielen.
Fantastische plek toch, hoe die spoorweg hier in een bocht verdwijnt, zoals in alle goeie films, en hoe de houten dwarsliggers naar creosoot ruiken, de teerolie die bestand maakt tegen de tijd, zo moéten ijzeren wegen ruiken! Ik leg een munt op de spoorstaaf, straks walst hier een wiel en ligt er voor niemand een aandenken.

Niet ver van de overweg groeien hoge canada's. U bevindt zich hier, zegt het bord. In Honegem-Solegem-St-Apollonia. Het klinkt als een aftelrijm, maar het is "een beschermd landschap van de Vlaamse Gemeenschap sinds 24 juni 1992". Bij dit beschermde land staat een huis waar een oudere vrouw onkruid wiedt. Zij heeft vroeger nog dichter bij een bos gewoond dan hier. Dat was in de Oostkantons, waar ze in 1944 de Amerikaner heeft zien arriveren na de Slag om de Ardennen. Die hadden wit brood bij, en gemalen koffie, en zij hadden vier jaar geen koffie gedronken. En zo praten we gemoedelijk over een wereldoorlog. Met terwijl te-donkk te-donkk te-donkk, een onzichtbare trein achter die zichtbare bomen.

Erpe-Mere. De smalle buurtwegel (Wagenstraat/ Meiboomweg) leidt naar een nauwelijks zichtbare overweg © Jan Hertoghs

Erpe-Mere. De smalle buurtwegel (Wagenstraat/ Meiboomweg) leidt naar een nauwelijks zichtbare overweg © Jan Hertoghs

Netelhuis
Bij de spoorwegen vonden ze het niet oordeelkundig dat ik over "onbewaakte overwegen" zou spreken. De officiële term is overwegen met passieve signalisatie of overwegen van vierde categorie. Dat is genoteerd. En vervolgens heb ik van infrastructuurbeheerder Infrabel een lijst van vijf bladzijden gekregen, allemaal overwegen vierde categorie! En telkens staat aangegeven: de gemeente, de dichtstbijzijnde straat en drie nummers. Het nummer van de spoorlijn, het nummer van de overweg en het kilometerpunt. Dat punt is zichtbaar op zijpaaltjes en dus nuttig voor onderhoudsploegen die met een trein onderweg zijn, maar voor wie met de wagen onderweg is, zijn die nummerpaaltjes géén hulp.  
Zo zoek ik nu al een half uur naar de overweg aan de Broekstraat tot iemand zegt: hier is helemaal geen Broekstraat, ik denk dat gij bij de Wagenstraat moet zijn, daar is nog een onbewaakte overweg.
De fietsster gaat me voor langs hovingen met volières, miniatuurwindmolens en bloeiende gladiolen, tot we bij een smalle koker tussen twee huizen komen, dat blijkt een buurtwegel, en die plavuizen geven uit op een overweg voor voetgangers.
Ik steek lijn 82 over -richting een nieuwere tuinwijk in Erpe - en aan de andere kant gaapt een vervallen huis. Een spookpand. De ruiten zijn stuk, de gordijnen zwaaien uit de kozijnen en de netels gaan hier ongevraagd naar binnen. Benieuwd hoe het hier 's avonds is, op dit verlaten pad met z'n wildgroei van struiken.

Erpe-Mere. Het “spookhuis” aan de Meiboomweg © Stephan Vanfleteren

Erpe-Mere. Het “spookhuis” aan de Meiboomweg © Stephan Vanfleteren

Wreed ongelukkig

Lijn 82 telt nog zés onbewaakte overwegen op tien kilometer en de volgende overweg aan de Grote Gentweg -ook in Erpe- is ineens heel breed. Ik moet me werkelijk dwingen om te stoppen en links en rechts te kijken. Het is wennen. Dat zo'n stille overweg op elk moment even gevaarlijk kan zijn als een overweg waar alles brandt en rinkelt. 
Ik leg de motor stil en achter de wilgen en de weidebadkuipen klinkt het gedempte geraas van de E40 met zijn meer dan tienduizend wagens per uur. Daar is mobiliteit. Hier beweegt niets. Het landschap kijkt me aan met zomerse onverschilligheid. Het heeft niet gevraagd dat ik tot hier zou komen. Het kent ook geen verwondering. Het weet van treinen en passanten, en dat die altijd voorbijgaan.   

In Erpe-Mere is een stopplaats waar net een trein stopt. De deuren sissen open, de dagtaak in Brussel is achter de rug. Achter mij klinkt klein hoefgetrappel op het asfalt. Een man leidt een pony. In het zadel zit zijn kleine zoon. Het is als een Italiaanse film, maar dan Oostvlaams gesproken. 
In de wijk achter de Magerstraat houdt de nieuwbouw op en daar is een smalle overweg naar de akkers aan de overkant. Een man harkt hooi met een strohoed onder de zon. Jozef De Pauw heeft dat stuk grond al vijfenveertig jaar in bezit. Veel vroeger was hier zelfs géén overwegske, zegt hij, toen wandelden de mensen gewoon over de sporen. Dat was nog in de tijd van de stoomtreinen. Hij doet na hoe traag die wel op gang kwamen, zo dzjoe dzjoe dzjoe, en hij moet lachen, hij denkt dat ik nooit zo'n trein gezien heb, maar ik zeg dat ik ze nog helder kan herinneren, 's avonds in het Kempense dorp, met de witte stoompluim boven de appelaars van mijn grootvader.

Erpe-Mere, nabij de Magerstraat. De toegangsweg naar het hooiveld van Jozef De Pauw. © Jan Hertoghs

Erpe-Mere, nabij de Magerstraat. De toegangsweg naar het hooiveld van Jozef De Pauw. © Jan Hertoghs

De tijd staat niet stil, zegt hij. Het kan twintig jaar geleden zijn, of dertig jaar, hij was hier met zijn vrouw en twee dochters in het witloof aan het werken en toen zagen ze ineens dat vrouwmens van in de veertig komen aanstappen met de velo aan de hand, "en ik zag ineens van links de trein komen, maar dat menske zag niks, die had de kop naar beneden, die had daarvoor een douw gehad, hare man had haar laten zitten, die was helemaal in gedachten, en ik roep heel hard, en die machinist blaast maar, en remt maar, remt maar, en van dat remmen en piepen schiet ze ineens toch wakker en kan ze zich nog juist achteruit trekken, juist op tijd, ze was anders dood geweest! En tweehonderd meter verder is die trein gestopt, de garde eruit, die moest natuurlijk een verklaring hebben. Maar dat menske deed dat niet express, die was wreed ongelukkig, die zat in haar somberte, maar zo zoudt ge dood zijn voor dat ge het weet."
Omdat hij zo ambachtelijk staat te leunen op zijn hark, vraag ik of ik een foto mag nemen, en dat ik ze op zal sturen. Het mag, zegt hij, en dat er van Jozef De Pauw nog niet veel foto's gemaakt zijn. En ook, "of hij die foto dan moet betalen misschien?"

Volk van Brussel
Bambrugge, zo wonder kan een dorp heten. En een eind bezijden de Kwalestraat ligt zijn onbewaakte overweg. De weg is eerst een dubbel karrenspoor en wordt dan een dun zandpad tussen de meidoorn- en de beukenhagen. De canada's ritselen dat het nog lang warm blijft, de bramen rijpen in de struiken en in de wei staat nog een ouwe handpomp, ik ben zeker dat de zwengel knarst en piept. Ik zal het nog vaak merken, door die overwegen kom ik op plaatsen waar de tijd op een zijspoor is gaan staan. 

Een smalle veldweg leidt naar een verscholen overweg in Bambrugge. © Jan Hertoghs

Een smalle veldweg leidt naar een verscholen overweg in Bambrugge. © Jan Hertoghs

Ook in Bambrugge-dorp is het stil. Om half acht sjilpen de mussen in de straten en op het ijzeren bankje bij het perron zitten drie vrouwen. De armen gekruist, de blote voeten rustend op hun sloefen en sandalen. Zo bewaken ze de stopplaats en de overweg, zo bewaken ze het dorp, en zo schouwen ze alle passanten. Ik zeg dat ik van bij de onbewaakte overweg kom. Die diende vroeger voor de boeren, zeggen ze, daar kondt ge toen met een paard en een schone kar hooi over geraken, maar nu is het een smal wegske geworden, nu kunt ge d'r alleen nog over met uw hond of een crossfiets. Vroeger waren het hier allemaal boerenmensen, het ene huis na het andere, en nu is er in heel Bambrugge nog één boer, nog éne!
Ik vraag of er veel treinen komen op een dag. En dan beginnen ze alle treinen van een dag op te sommen. Die van kwart voor zes, dat is den eersten, dan nog een paar van 's morgens, dan die ene van de noene, en dan die van de schoolkinderen om half vijf, en dan nog een paar voor het volk dat van Brussel komt, en dan de laatste trein, die is nu al gepasseerd, die was om zeven uur.
En zo moet ik dus tellen, negen treinen naar Aalst en negen naar Burst, en allemaal omnibussen. En 's middags zit er vaak niemand op de trein, of af en toe éne mens, ne meinsch die naar Oilsjt moet. "Tja, wié rijdt er nog met de treinsch tegenwoordig? De mensen hebben allemaal hun auto! En er rijden ook bussen, zovéél bussen in deze tijd! Dan staan wij soms in de hof te werken, mijn man en ik, en dan zien we de trein en niemand erop, en dan zeggen we dat soms tegen onze zoon: daarstraks was hier weer een trein waar ze allemaal plat op de grond lagen! Dat is voor te lachen hé dat ge dat zo vertelt. De zoon zegt dat de lijn gaat blijven, ze is van groot belang voor het Belgische leger, zegt hij, en hij kan het weten, want hij werkt bij de ijzeren weg." 

Ruitjes-ongevallen

In de jaren zestig waren er nog een paar duizend onbewaakte overwegen in België, nu zijn het er nog welgeteld 298. En hoewel onbewaakte overwegen veel minder ongevallen kennen dan de bewaakte overwegen waar méér verkeer is, toch was ik benieuwd of zich daar ooit zware botsingen hebben voorgedaan. Bij de NMBS bleken ze aparte cijfers bij te houden voor de overwegen van vierde categorie; ik hoefde maar naar hun archief in Brussel te komen en dan kon ik zelf opzoekingen doen in de registers. 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

De bundels lagen klaar, vanaf 1953, met linnen ruggen en ruitjesschriften en het etiket Passages à Niveau, Gelijkgrondse Kruising, dat waren vroeger de geijkte termen voor de overweg. De tijd heeft de bladzijden vergeeld, maar toch is goed te zien hoe minutieus ze zijn opgesteld. Met een verdeling tussen Bewaakt en Onbewaakt, Halve Barelen, Hele Barelen, of Geen Barelen. Elke bladzijde is een maatwerk van kaarsrechte kolommen die met de liniaal en met Oost-Indische inkt getrokken zijn. En elk ongeval heeft uiteraard zijn dossiernummer, zijn datum en locatie, en ook zijn oorzaak. In negentig procent van de gevallen is dat Onoplettendheid of Onvoorzichtigheid van de Weggebruiker wat dan zeer oplettend en zorgvuldig staat ingeschreven.
Eén kolom geeft ook aan waartegen de trein zoal gebotst kon zijn, en elk cijfer is dan een obstakel. 3 is een gespan. 4 een kar of kruiwagen. 5 moteur, motocyclette of vélomoteur 6 fiets of driewieler 7 voetganger 8 dier, en 9 allerlei (waaronder: SCHIP, VLIEGTUIG ETCETERA). De slachtoffers kennen drie groepen: Tués, Blessés en Légèrement Blessés.
Ik blader door de schriften, strakke ruitjes vol ongevallen, doden en gekwetsten. Jaar na jaar schuiven kalenderdagen van leed voorbij in een lange litanie van locaties: Bouwel, De Pinte, Poix-Saint-Hubert, Cierreux, Grimbergen, Libramont, Munsterbilzen. En dan telkens het cijfer van de Victimes omcirkeld, soms met blauw, soms met een rood kleurpotlood.
In een jaarverslag heb ik intussen gelezen dat 1972 een desastreus jaar is geweest en dat vind ik in die kaft ook terug, met op 7 juni een ongeval in Rotselaar, fél omcirkeld: acht doden en tien gewonden. Heel waarschijnlijk is dit het zwaarste ongeval ooit aan een overweg van 4de categorie. De "stille overwegen" waren toen nog talrijk in België: in 1972 waren er nog 2489.

Rotselaar.  Het monument voor de acht Italiaanse slachtoffers. © Stephan Vanfleteren

Rotselaar. Het monument voor de acht Italiaanse slachtoffers. © Stephan Vanfleteren

Nooit zullen we hen vergeten
Het dossier van Rotselaar draagt het nummer H6009/72 en de bediende brengt een kaft met krantenknipsels en een rapport vol technische gegevens. Aard van het Ongeval: aanrijding van een mini-autobus door de diesellokomotief van reizigerstrein N° 3527. Plaats van het Ongeval: onbewaakte overweg n° 124 gelegen aan afstandspunt 100.905 van de lijn 35 Hasselt-Leuven. En dan nog meer details: "Lokomotief kwam tot stilstand op ca. 272 meter voorbij de overweg." "De remmen van de locomotief waren in orde." "Trein was samengesteld uit 7 rijtuigen. Totale lengte: 185 meter. Normaal uur van doorrit: 17u05. Aantal Reizigers: 112." En voorts dat het "op het ogenblik der feiten klaar weder was met een goede zichtbaarheid". Ook dat de betrokken bestelwagen van het werk Mercedes was en dat de inzittenden verzekerd waren tegen arbeidsongevallen. Met dan de acht namen van degenen "die op de slag gedood werden". Het zijn Italiaanse namen van mannen tussen de 33 en de 51 jaar, allen wonen ze in Genk.
Bijna zevenendertig jaar later sta ik op dezelfde plek. Het is geen helder weer, het is betrokken. De zanderige Spoorwegstraat van toen steekt het spoor niet meer over, maar loopt dood op de afsluiting van de spoorlijn. En geheel onverwacht, in de graskant staat een arduinen steen met daarin gegraveerd de namen van de acht slachtoffers en de Italiaanse tekst: Zij Vonden De Dood Op de Terugweg Van Hun Werk. Ze Blijven Altijd Samen In De Vrede Van De Heer. - Altijd Zullen we Hen Liefhebben. Nooit Zullen We Hen Vergeten. Er liggen ook roosjes in een glazen kader die met de jaren in drie stukken is gebarsten. En intussen suizen de treinen voorbij, soms wel twee op drie minuten. Het is nog altijd druk op die lijn Hasselt-Leuven.

(Bron: Archief NMBS)

(Bron: Archief NMBS)

Jack-Op
Twee huizen staan er nog aan de Spoorwegstraat. In het ene is niemand thuis, in het andere weten ze van het ongeval en van de steen, maar toen het gebeurde, woonden ze hier nog niet. De man vertelt dat hij hier 's avonds "jonge gasten met fietsen en brommerkes" langs het spoor ziet. Ze keren nooit terug, dus hij veronderstelt dat ze op die plek nog altijd over de sporen kruipen: "Alsof het leven nog niet gevaarlijk genoeg is, meneer!"
In het verslag van de NMBS is ook sprake van een getuige, een brouwersgast die daar met zijn "bierauto" stond. Na wat telefoontjes kan ik hem opsporen, hij "houdt nu café in Rotselaar-Heikant".
Ik kom in een interieur met stamgasten en oude bierreclames en de patron zegt dat het lang geleden is en dat hij zich nog weinig herinnert. Ja, hij is opzij gaan staan om hun camionette door te laten, de weg was daar te smal, en hij reed toen voor Jack-Op, "die brouwerij, die bestaat niet meer". Die botsing, dat was een bliksemslag, de mensen vlogen naar alle kanten. Allemaal Italianen, allemaal gastarbeiders, ze werkten aan de leidingen van Distrigas (hun werf was maar op 200 meter van het ongeval,jh). Hij is nog naar een huis gelopen om daar de hulpdiensten te bellen, maar verder weet hij niks meer.
Het café komt nog met andere voorvallen. Dat de overwegen nu overal bewaakt zijn, maar dat de mensen niet voorzichtiger, maar wel roekelozer worden. Zes jaar geleden! Hier in Rotselaar! Twee meisjes van de middelbare school! Ze spijbelen en ze gaan zich wat amuseren aan de bewaakte overweg. Op het spoor staan en op het laatste ogenblik wegspringen. Eéntje is gepàkt door de trein en ze is erin gebleven, amper dertien jaar! Ik hoef maar te knikken. De ene deernis sluit de andere tragedie niet uit. Un train peut en cacher un autre.


Het laatste ruitje
In het NMBS-rapport staat de naam van de treinbestuurder die toen vijfentwintig was. Ik wil hem niet opbellen, en sta op een avond bij zijn huis in het Hageland. Ik had een afwerend gebaar verwacht, maar Rik Swartenbroeckx lijkt haast opgelucht dat hij zijn relaas kan doen.  
"Ik was een jonge machinist, en reed nog maar een half jaar alleen toen het gebeurde. Ik kwam van Hasselt en ik reed naar Leuven, tegen zo'n 90 per uur. En ineens zie ik daar op die zandweg een camionette naderen, tegen geen twintig per uur, zo traag reden ze naar die overweg. Ik heb geclaxonneerd en de noodremming ingezet en hadden ze toen direct geremd, dan had ik niet eens hun voorste schokbreker geraakt, maar die bestuurder heeft gas gegeven om over de rails te geraken. Ik zie nog altijd die ene man die achteraan in dat busje zat, aan het laatste ruitje keek hij over zijn arm naar de trein, ik keek naar hem, ik hoopte dat zijn gezicht voorbij zou gaan, want dan waren ze allemaal voorbij. Twee seconden heb ik dat gezicht gezien. Dat is een minuscule flits in uw leven, dat is iets van niks, maar was ik een tekenaar, dan zou ik dat gezicht nù nog op papier kunnen zetten. Haarfijn, en tot in de kleinste details. Dat gezicht zit in mijn hersenen gebrand. Dat zal ik nooit van mijn leven vergeten.
En toen kwam die doffe slag, één ton tegen bijna vierhonderd ton. En driehonderd meter verder stond ik stil. Ik keek buiten en het achterste van die camionette met nog enkele zitbanken hing op de kop van mijn locomotief. 't Was een ravage, overal stukken van mensen, overal stukken van dat voertuig.
Onze taak is dan niet eerste hulp toedienen aan de gewonden. Waarop wij getraind zijn en waaraan wij éérst moeten denken is de veiligheid van onze trein en van onze passagiers. Ik ben gaan telefoneren bij de bareelwachtster aan de naaste overweg en dan ben ik de sporen gaan "afdekken". Op duizend meter voor de trein zet ge een rode vlag, een fakkel en voetzoekers zodat tegemoetkomende treinen tijdig het gevaar kunnen zien en nog kunnen stoppen. En daarop hoor ik ineens een gerucht langs dat spoor, dat waren àl mijn passagiers, met hun boekentassen, handtassen en valieskes, met tientallen sprongen ze van de hoge trede van die trein en allemaal liepen ze, weg van het onheil, en naar de grote steenweg toe.
Ik moest ook de andere kant van de trein gaan 'afdekken' en de eerste dode die daar lag, was die ene man van dat laatste vensterke.
Wat ik ook niet vergeet, was dat hondje. Die Italianen hadden een hondje bij, zo'n foxke met witte en zwarte vlekken, en dat beestje liep daar maar, van de doden naar de zwaargewonden, en maar over en weer.
Geen tien minuten later stond het vol politie, rijkswacht en ambulances. De gewonden brachten ze weg, de ledematen van de doden hebben ze verzameld en in doodskisten gelegd, en tegen de avond is mijn trein dan naar Leuven gesleept.
Ik kreeg acht dagen verlof en in die week ben ik elke nacht wakker geworden, nat van het zweet. Altijd weer zag ik dat gezicht. Ik heb ook de begrafenis willen bijwonen, iets van troost willen bieden aan die families, maar dat mocht niet van de NMBS, dat zou "slecht zijn voor mijn gemoed".

Piëta
Na die acht dagen moest ik volgens mijn dienstrooster een heel ander traject doen, maar van mijn baas moést ik die eerste werkdag opnieuw dat traject Hasselt-Leuven doen. Nu hebben ze daarvoor begeleiders, maar ik moest heel alleen die trein weer op. Toen ik in Leuven aankwam, had ik een kwartier vertraging, zo vaak had ik geremd omdat ik meende iets op de spoorbaan te zien. In NMBS-termen is een kwartier een gruwelijke retard, maar ze hebben geen woord gezegd. Na twee dagen was ik het door en met de jaren heb ik dat ongeval toch uit mijn hoofd kunnen zetten."
Eigenlijk heeft hij veel meer afgezien van een ongeval aan een bewaakte overweg: daar kon het ongeval vermeden worden en toch gebeurde het. "Een jong manneke rijdt met zijn brommer tegen de slagboom, die knapt af, die knaap slipt, zijn bromfiets valt tussen de rails en terwijl ik mijn noodremming inzet en claxonneer, blijft die jong aan zijn brommer sleuren. Waarschijnlijk was die pas gekocht of was hij daar zeer aan gehecht, want hij wou dat ding absoluut weg trekken. En zo werd hij toch nog geraakt door de zijkant van de locomotief, ik stond bijna stil en toch pàkte ik hem nog. Zijn hand was eraf en ook zijn gezicht was helemaal weg, hij was gelijk in coma, denk ik".
Dat het zo'n jong manneke was, daarvan had hij afgezien omdat hij toen zelf kinderen had. En wat hij evenmin kan vergeten, is de koolputter die daar met de bromfiets arriveerde en die zegde dat iedereen moest zwijgen "want dat zo'n mens in de coma nog altijd kan horen!"
En toen had hij die zwaargekwetste jongen op zijn schoot genomen en hem zachtjes troostend beginnen wiegen.
Als moeder en kind. Als een piëta.

Nog bijna dertig jaar heeft hij dat traject Hasselt-Leuven gereden en nog een paar duizend keren is hij voorbij die plek in Rotselaar, en later voorbij dat monument gekomen, "één keer was er een herdenkingsdienst bezig, dat kon ik zien vanuit m'n stuurpost". En hoe hij nog lang gepiekerd heeft waarom ze toch zo traag reden: "Ik had de indruk dat die arbeiders afgeleid waren, dat ze naar iets luisterden, de koers op de radio of zo. Dat is een gedachte die me nooit heeft losgelaten." 7 juni 1972 viel midden in de Ronde van Italië, een Giro die later door Eddy Merckx gewonnen werd. De rit van die dag was een bergrit  van Parabiago naar Livigno (256 km) en werd door Merckx zelf gewonnen voor de Spanjaard Galdos en de Italiaan Marcello Bergamo die nog redelijk lang kon aanklampen. Het is geen verklaring. Het is alleen maar gissen naar het noodlot, il fato, il destino.

“Terugkomend van hun werk vonden zij hier de dood. “ Opschrift op het monument in Rotselaar © Jan Hertoghs

“Terugkomend van hun werk vonden zij hier de dood. “ Opschrift op het monument in Rotselaar © Jan Hertoghs

Vlaamse Arden   
Eind september. Fazanten buigen de nek naar de grond als ze ijlings weglopen voor de auto. In Sint-Martens-Lierde zou onbewaakte overweg nummer 58 moeten zijn op de lijn 122 (Geraardsbergen-Gent), maar hij is niet meer. Ge had twee jaar eerder moeten komen, zegt de buurman, de lijn is vernieuwd en toen hebben ze die overweg opgeheven. Maar als ge verderop afslaat aan de Bloemmolens, dan is daar een pad naar beneden en dààr is nog een onbewaakt exemplaar. Ik vind het pad, het stort zich inderdaad van de top van een Vlaamse Arden steil naar beneden, recht op de overweg, de spoorweg en de gevarendriehoek. Dat alle ministeries van Verkeer in Europa nog altijd zo'n locomotief met stoomwolk gebruiken om aan te geven dat er een onbewaakte overweg is, dat waardeer ik. Vroeger zou ik gezegd hebben: het is zo'n trein zoals kinderen hem tekenen. Maar tekenen kinderen nog locomotieven met een pak zwarte smoor uit de schouw?  
In het aanpalende Sint-Maria-Lierde is het oude seinhuis nog bewoond, de gele dahlia's hangen over het hek, de appels zitten dik en rood in de bomen, maar dat hier ergens een onbewaakte overweg zou zijn, daar weten de bewoners niets van. We zijn hier pas komen wonen, meneer, en we moeten nog veel verbouwen.
De overweg ligt amper tweehonderd meter van hun huis. Een boerenzandweg en ook nog het andrieskruis, maar de verharde overgang tussen de rails is weg. De passage is opgeheven en er is niemand om wat te vragen. We zullen nooit weten welk het nut was van overweg 122/63. Hoe vaak een boer hier is overgestoken. En of de reizigers in de trein ooit oog voor die overweg hebben gehad. Zou daar iets van kunnen achterblijven? Van een blik in de velden, van een oogwenk in de spoorkant?

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Louise-Marie
Lijn 86 loopt van Oudenaarde naar Gent, en in Ronse is nog een onbewaakte overweg midden in de stad. Het is de Lindestraat, ze maakt een trechter, en na een ijzeren beugel die onvoorzichtigen moet afremmen, passeer je één van de zeer weinige onbewaakte overwegen binnen een stad gelegen. In alle agglomeraties loopt zo'n straatje dood op de spoorlijn, hier gaat het als vanouds over de rails. Een buurvrouw hangt al meteen ongerust door het raam vanwege mijn bic en papieren! "Gij komt dat hier toch niet afschaffen? Want dan gaan veel mensen kwaad zijn!"  
Ronse is niet groot. Twee kilometer ervandaan sta ik al bij straatnaamborden met namen als Muziekbos en Maneschijn. Een eindje kan ik nog autorijden, dan wordt de weg te smal tussen de varens en de beukenbomen. Er komt een beek uit een bron, er is een stenen waterput, en struikrovers kunnen hier zeker werk vinden, zo diep en donker is dit bos.
De overweg is een lichtinval. Twee buizerds cirkelen in de lucht, een zilveren vliegtuig vliegt nog hoger. De spoorlijn loopt in een bocht langs koeien en veel te grote weipalen: het zijn oude biels die de boer in de grond heeft geslagen. Ooit droegen ze de trein, nu moeten ze vee dulden dat z'n vel staat te schurken.
Onderweg langs lijn 86 zie ik een wegwijzer naar Louise-Marie. Het dorp heeft een afgelegen stopplaats waar ik jàren geleden ben afgestapt. Ik wil ernaartoe, maar bijna niemand weet zich de plek nog te herinneren omdat alles zo heraangelegd en onherkenbaar is geworden. In 1984 maakte ik een serie over kleine stopplaatsen die afgeschaft gingen worden. Louise-Marie had toen nog een stopplaats en een perron vlakbij de enige 'bergtunnel' in Vlaanderen, die van de Muziekberg: 422 meter lang. Kortbij woonde Roger Santens, jaren piocher geweest. In de winter bestond zijn bijzondere taak erin om met een staaf de ijspegels stuk te kappen die aan de gewelven van de tunnel hingen. "Er waren kastaars bij van twee- en driehonderd kilo! Maar ook de grond was één klomp ijs, ik viel, ik gleed, de wanden waren van ijs.  Beestig werk. Eén keer was zo'n pegel tot op de grond gegroeid. Dat was een boom van wel duizend, tweeduizend kilo. Die heb ik met mijn houweel omgehakt en toen viel die knots nog op de sporen ook. Dat heeft me een uur gekost om alles stuk te hakken. Gelukkig zijn er nooit ongevallen gebeurd."
Louise-Marie. Perrons met zo'n naam zouden ze moeten bewaren.

Waarom hier in Heurne?   
In Nukerke zijn er holle wegen en werpt de zon lange schaduwen op het gras. De kinderen spelen er woensdagje en de hond blaft tegen de draad waar de schapen plukken wol hebben achtergelaten. De overweg is er voor de bieten, zegt het boerenkind beschroomd, en onze ouders zijn gaan werken.
Het loopt naar de avond, lijn 86 loopt ook verder, en één overweg wil ik nog zien: Heurne-Axelwalle. Als ik er ben, komt net een trein voorbij. In z'n ramen weerkaatsen de wolken en de weg. En daarna is het weer stil aan de voet van het roodwitte kruis. 
Honderdvijftig meter verder loopt hetzelfde spoor over een bewaakte overweg. Vlakbij is een oude boerderij met een mestpacht en met groengeverfde deuren. Eerst komt ze alleen maar op de drempel staan, dan zal Adela de tijd nemen, de handen op de rug leggen en leunen tegen de gevelmuur. En dat er aan die onbewaakte overweg niet zoveel gebeurt: "D'r komen wandelaars en fietsers en ruiters." En dat ge moet oppassen met paarden, zeker als ge beginner zijt, een ruiter met zijn eerste broekske aan. Want soms weigeren die dieren over het spoor te gaan. Ze betrouwen dat niet, die staven die glinsteren in de zon. "We hebben dat vorig jaar nog gezien. Geen poot erover. En afstappen en aan de leidsels trekken, en niet willen bougeren hé!" Iemand van de buurt zag het en die vrouw had ervaring met paarden. Ze steeg zelf in het zadel, nam driehonderd meter aanloop, en ging dan in volle galop over de sporen, en nog eens, en nog eens, "en toen kreeg die jonge ruiter zijn beest terug en toen wilde dat dier ineens wél luisteren."
Ooit is een madame met haar auto geslipt op het slijk van de overweg en zijlings gekanteld in de greppel. Ze ging verderop bellen en intussen kwam de trein en die had haar auto geschramd, zo heel heel rakelings, "alleen de lak was eraf".  Dan moogt ge van geluk spreken.

De stille overweg van Heurne-Akselwalle.

De stille overweg van Heurne-Akselwalle.

Er ritselt een muisje langs de gevel, ze kijkt het na. En ze vertelt van vijfentwintig of wel dertig jaar geleden, toen zich hier een jongen verdaan heeft, "een jonge student uit Gent. Het was rond deze tijd, eind september, begin oktober, bij 't uitdoen van de patatten. En ineens zien we de trein stilstaan, niet ver van de onbewaakte overweg, en allemaal volk errond. En dan de ziekenwagen. En dan de politie die hier kwam bellen naar het parket. Want in die tijd was er nog geen gsm. En 't moet erg geweest zijn. Mijn man is ook gaan zien. Die jongen had zich gebukt in het spoor, die was met zijn rug naar dat machien gaan staan, dat was zo'n grote groene diesel met gele strepen, daar zit een haak vooraan, en die haak had hem opgeschept bij zijn broeksriem, en hij was voorover blijven hangen en had een paar honderd meter met zijn hoofd toektoektoek die biels geraakt tot de trein gestopt was. Van zijn schedel was niks meer over, maar aan zijn gezicht was helemaal niks te zien, dat was nog heel gebleven."
Ze kijkt me aan alsof dat toch nog één goed ding was, dat gave gezicht. En later zijn z'n ouders hier nog op bezoek geweest, en die hebben het verteld: "Hij had tweede zit en was er weer niet door en hij had dan ruzie gekregen met zijn verloofde, 't was af geraakt en toen had hij het gedaan. Zijn fiets genomen, en helemaal van Gent naar hier gekomen." En dat die jonge student van de Limburg was. Ja, zegt ze, waarom zou iemand van zo ver hier in Heurne willen sterven hebben? Dat vindt ze nog het vreemdste.  
Het is intussen koud geworden bij het huis en de fruitbomen. En ik weet evenmin waarom hij tot hier gekomen is. Het moet in elk geval een lange tocht geweest zijn, die vijfentwintig kilometer beslissen van Gent naar hier.

Ik rij nog eens langs de overweg. De plek is eenzamer dan daarstraks. En dat hier een leven een einde heeft genomen en dat iemand dat landschap misschien nog één keer in zich heeft opgenomen voor dat geraas hem uit dat leven zou verwijderen.
Ik heb zelf een vriend gehad die voor die ijzeren uitweg gekozen heeft.

DEEL 2: HET RECHT OP “EEUWIGE OVERGANG”

DSC01716b.JPG

Vorige
Vorige

De stille overwegen (2): koeien op het spoor

Volgende
Volgende

Experimenteel reizen in eigen land (4): met een gocart de grens over