De hobo's: zwerven op goederentreinen dwars door Amerika (1) / de leerschool
In het Fotomuseum FOMU in Antwerpen wordt de foto-expo "Present" van Stephan Vanfleteren hervat.
Op die tentoonstelling is o.a. een reeks foto's te zien van ons hobo-avontuur in 1996.
Volgens Vanfleteren "nog altijd één van de meest bijzondere reizen in mijn leven". Met zijn foto’s won hij een World Press Photo Award.
In deze reportageserie zijn die foto's bijeengebracht, samen met nog andere beelden van datzelfde treinavontuur.
De 4 afleveringen van deze reeks werden gepubliceerd in Humo (juli-aug 1996) onder de titel "On the rail again", ze zijn hier licht ingekort en herwerkt. - (c) Jan Hertoghs
An English version is available on the North Bank Fred website http://northbankfred.com/humo1.html
© Stephan Vanfleteren
Al van mijn achttiende wil ik in Amerika op de goederentreinen reizen. Naar het voorbeeld van de hobo's. Ik zag ze voor het eerst in de film "Joe Hill" (1971) en hoe ze in de jaren dertig op die treinen reisden om de armoede te ontvluchten. Ze zaten in de pakwagens, ze verstopten zich soms op het onderstel tussen de wielen, of liepen met gemak over de daken van die rijdende boxcars.
Vijfentwintig jaar later is het zover. Eind mei 1996 ben ik in de VS met een jonge fotograaf, Stephan Vanfleteren (27). Hij is me aanbevolen door m'n vriend Roger Van D'Huynslager (ook fotograaf).
Stephan en ik zijn onbekenden voor mekaar. Meer dan een korte kennismaking was er niet, langer dan een half uur hebben we mekaar voor deze reis niet gesproken.
Maar we delen eenzelfde verlangen naar dat wilde onbekende, naar die spoorlijnen die dwars door Amerika gaan.
Railriding >>> korte filmische impressie van het reizen op de goederentreinen
"Wees brutaal. Zorg voor een knuppel. Laat niemand binnendringen in jullie wagon."
Het vliegtuig van United Airlines tilt ons over de oceaan, wat een wonder van de techniek mag heten, en dan zal de bemanning ook nog eens het licht uitdraaien en op tienduizend meter hoogte een film draaien. Ze hadden duizend andere filmen kunnen kiezen, maar net vandaag spelen ze die ene film (Broken Arrow, 1996) waarvan de hele ontknoping zich op een voortrazende Amerikaanse goederentrein afspeelt. John Travolta is de action man die in die trein een nucleaire tijdbom van terroristen onschadelijk moet maken. En natuurlijk willen ze hem van het dak van de wagon knallen, en natuurlijk valt hij bij het knokken door een openstaande deur naar buiten, en natuurlijk kan hij zich nog net aan een laddertje vastklampen, en natuurlijk zal hij vijf minuten lang met zijn hemd uit zijn broek onderaan de trein balanceren, zijn ballen rakelings naast de moordende wielen. Het is maar film, maar in werkelijkheid zijn wij op weg naar die rammelende, blinde en door de nacht jagende goederentreinen.
Ons vertrekpunt is Eugene, de belangrijkste stad van de noordwestelijke staat Oregon. Op deze late vrijdagavond zijn de straten leeg en in die leegte horen we ineens De Trein. Tussen al die verlaten straten komt hij als geroepen, met zijn lange eenzame fluiten en met dat dindindindin-geklepel van de overwegen waar op dit tijdstip niemand meer achter de slagbomen wacht. Drie straten verder zien we hem, hoe traag hij het station binnendieselt met die felle koplamp voorin en met op de locomotief die tampende klok, alsof de tijd nog bestaat dat er boomstammen en Indianen over de sporen worden gelegd.
Op het perron gaan we vlak bij de trein staan, als om hem te meten, als om in te schatten hoeveel immenser hij is dan wij. Als de machine zich na zijn halte weer op gang trekt, lopen we een eindje mee, we tasten al naar een zijladdertje, we toucheren al een grijpstang, en in gedachten doen we al een sprong in een pakwagen, maar we denken ook: hoe zal dat zijn met een bult van tien kilo bagage op de rug? En van slapen in het motelbed komt niet veel. De hele nacht horen we nog treinen janken door Eugene. En hoe uitdagend dat ze fluiten: kom dan, pak ons dan.
’s Morgens staat North Bank Fred voor de deur. Hij is onze gids voor de komende twee dagen. Fred (48) is geen treinzwerver, hij is bouwvakker, maar hij heeft het treinzwerven al twintig jaar in het bloed.("Ik moét om de twee weken de trein op of ik word onhandelbaar.") En dan springt Fred op de freight tussen Dunsmuir en Klamath Falls , en als hij dan tien uur door de bergen en de dennenbossen heeft gespoord, heeft hij weer rust.Fred bladert door The Oregonian. De krant heeft op pagina twee een hele kolom ingeruimd voor Eén Dode en Eén Zwaargewonde Na Val Van Trein. En dat twee lichamen zijn gevonden tussen Washougal en Stevenson; de sheriff gaat ervan uit dat het zwervers zijn die van de trein zijn gevallen, of geduwd, en dat ze weinig kans op overleven hadden, de trein reed bijna 90 per uur. Het artikel eindigt met de zin dat trainriding strafbaar is; het maximum is één jaar de gevangenis in.
Fred haalt z'n schouders op en met hem overlopen we onze uitrusting. Hij had gevraagd om versleten kleren mee te brengen, afgedragen jeans en uitgelubberde jassen, we moesten er als zwervers-tussen-de-zwervers uitzien en niet als fuckin’ mountain trekking professionals. De rugzak mocht geen aluminium draagstel hebben wegens te kwetsbaar (‘soms zal je dat ding uit de trein moeten droppen voor je d’r zelf uit springt’) en rugzak en kleren moesten ook donker zijn om niet opgemerkt te worden door de bulls (=de spoorwegpolitie). Zijn ook vereist: ruige stapschoenen met antislipzolen (om niet van de gladmetalen treinladders te stuiken), leren werkhandschoenen (om een stevige grip te hebben bij het wagonklimmen), een nylon poncho om lijf en uitrusting tegen de regen te beschermen, oordopjes tegen het treinlawaai, en een 1-liter-drinkfles met water omdat het gloeiend heet kan zijn in een wagon die uren stilstaat in de zon.
Hobo in de uitgestrekte doolhof van het rangeerstation. © Stephan Vanfleteren
Northbank Fred doet ons in een roestbak klimmen
Het is een stevig eind stappen tot het rangeerstation van Eugene. Vanop de weg zien we vier Southern Pacific-treinen staan wachten, de diesellocomotieven ronken, maar welke gaat naar het zuiden? Een onzekerheid die ons parten zal blijven spelen, want in een rangeerstation zijn geen perrons, geen aanwijsborden en uurtabellen, er zijn alleen twintig sporen en daarop staan meerdere treinen. Rijden ze naar het noorden of naar het zuiden? Vertrekken ze binnen een uur, twee uur, of pas morgenvroeg? En er zijn natuurlijk geen voetgangerstunnels om van het ene spoor naar het andere te gaan. Je moet over de koppelingen tussen de wagons van de ene trein naar de andere stappen.
Fred kruipt als eerste op het smalle laddertje boven de buffers en wijst waar we onze twee voeten en onze twee handen schrap moeten zetten als we over de koppelingen stappen ‘Elke seconde kan je eraf vallen als je je niet stevig vasthoudt! Je moet er àltijd op voorbereid zijn dat zo’n trein door elkaar wordt gerammeld als ze er andere wagons tegenaan rangeren’. We steken twee stellen wagons over naar de trein op de derde track. Die lijkt vertrekkensklaar te staan, met zijn kop naar het zuiden. We horen de machinist lucht blazen in de remleidingen, we zien de remschoenen van de wielen komen, er resten nog weinige minuten om een overdekte wagon te vinden. Fred wil geen tijd verliezen en nadat hij nog vlug tegen een wiel heeft gepist, kruipt hij in een open gondola. We volgen hem, stuiken over de rand van deze gedeukte roestbak en verrekt, ik had me mijn eerste reis wel anders voorgesteld dan op die vloer te moeten zitten die bezaaid ligt met keien en wit stof.
Met een schok zet de trein zich in beweging en omdat het nog klaarlichte dag is, gebaart Fred dat we de eerste tien minuten gebukt moeten blijven, zodat geen bull ons kan zien. Eens we de stad uit zijn, steken we de kop boven de rand van de gondola. Ha, de wind in de haren, de zon op het gezicht, de buizerds in de blauwe lucht en bossen brem als feest tussen de rotsen. This is it! Fred haalt een fles goedkope port uit zijn rugzak, we zetten ‘m aan onze mond en overal tuimelen de overwegen dicht en springen signalen op groen en wordt er naar ons gewuifd vanuit de auto’s op de highway.
Mister Wanderlust
Na geen uur rijden schuift de trein in een zijspoor. Niks aan de hand, zegt Fred, hij moet gewoon een andere trein laten voorbijgaan. Maar dan gebeurt er iets dat Fred in twintig jaar nog maar drie keer heeft meegemaakt. Er klinkt een geluid dat op ontkoppelen lijkt, de lucht ontsnapt met een harde plof uit de remleidingen en de drie koplocomotieven rijden weg van de trein. Vijf minuten geleden stonden we nog te dansen in onze gondola en nu staan we stil, fuckin’ full stop!
Er zit niks anders op dan uit de bak kruipen. Tot ons geluk zitten we niet in the middle of nowhere, vlakbij strekt een meer zich uit in de zon en aan de andere kant is een weg en op die weg is Joe's Truckstop, met een klapdeur en bier en frisdrank in metershoge koelkasten.
Nog een vierde verstekeling komt uit de trein. Fred herkent hem meteen,‘Tall Man!’ Hijn is het prototype van de oudere hobo-treinzwerver: op het eerste gezicht ziet-ie eruit als een dakloze, verrimpeld gezicht, stoppelbaard, en vettige rouwnagels, maar op broek en schoenen draagt hij onmiskenbaar de roetsporen van de trein. Hij sleept ook geen stoet vuilniszakken met bagage achter zich aan, maar slechts één bundel van slaapzak en regenzeil, met een touw om de schouder. Duidelijk niet de zwerver die in portieken vertoeft, maar de nomade die kwiek kan inpakken en wegwezen.
Tall Man rolt een sigaret met zijn bruinige tabakvingers en naar zijn zeggen is hij één van de beroemdste tramps van de VS. ‘Noem mij om het even welke fuckin’ railroad in de States en ik heb er met mijn fuckin’ gat op gezeten!’
Tall Man, al 21 jaar op de rails. © Stephan Vanfleteren
Maar denk niet dat hij een schooier is, o nee, Tall Man kan werken voor de kost, hij kan daken repareren en auto’s fixen en vroeger was Tall Man nog officier bij de Air Force.Intelligence officer! Hij maakte geheime foto's in Vietnam en in Nicaragua, en UFO's heeft hij ook gefotografeerd. Wel tien op één rij." Alleen jammer dat er toen net geen film in zijn camera zat!En zo zit-ie voor ons te orakelen, de Mister Wanderlust met de lichte ogen, de Tramp Royal die al eenentwintig jaar op de sporen leeft. Halftien is bedtijd, we kruipen met zijn vieren in een lege boxcar, rollen de slaapzak uit en luisteren naar de stilte van de kikker die kwaakt bij het meer. Na een uur klinkt een licht gesingel door de nacht, iets zingt en suist in de sporen, en dan horen we dat het een snel naderende trein is, om de bocht jankt hij nog een laatste keer met zijn hoorn, dan schiet twee seconden lang een verblindend wit licht door het open gat van de boxcar. Ik denk: hij vliegt recht op ons af, hij ramt onze wagon finaal uit de rij, bàng, de berm af en het meer in, en dan raast een vijfde macht aan lawaai voorbij, de hele boxcar wordt gevuld, geladen, tot de nok volgestouwd met lawaai, kriepend ijzer op ijzer, nog meer fluiten, rammelen en ratelen, tien, twintig, tachtig, negentig wagons die whamm! whamm! voorbijknallen en dan is het voorbij en drijft het lawaai af, als een onweer dat heel dichtbij is geweest. En het is weer stil nu en middernacht en ik ga in de open deur op de rails staan plassen die zo al glimmen in het maanlicht, en wat een fantastisch gevoel om hier te staan wateren onder miljoenen sterren, de aanwaaiende harsgeur van dennenbossen in te ademen en naast het meer het gesloten café te zien waar Coors en Budweiser hun naam in neon blijven schrijven, all night long.
Snelcursus in-een-boxcar-klimmen
Zondagmorgen zeven uur en Tall Man zit op de rails en zet een bakje koffie op oude hobo's wijze. Met het lipje houdt hij een colablik vast dat gevuld is met water en daaronder heeft hij een rode lichtfakkel ontstoken, het soort 'vuurwerk' dat in de alarmkit van treinbestuurders zit. Als de fakkel uitgesist is, is het water heet en giet Tall Man het over in een bekertje oploskoffie. Coffee is ready.
Hij legt ook uit dat hoe je water kan opwarmen in een bruinpapieren boodschappenzak. Eerst vul je de zak met water en dan rol je de bovenkant op tot een handvat. Vervolgens hou je de papieren waterzak ongeveer 12 centimeter boven een houtvuurtje en dan wacht je tot het water heet is. De zak brandt niet want hij is te nat en hij scheurt ook niet, want daarvoor is hij te sterk. Als het water heet is, snij je een sleufje in de bodem en giet je het op je oploskoffie. Ja, deze ouwe hobo heeft het warm water uitgevonden.
Fred is intussen te weten gekomen dat de wagons nog wel eens twee dagen op dat zijspoor kunnen blijven staan en we besluiten de 4O km naar Eugene terug te liften om daar opnieuw de trein te 'pakken'.
Vijf uur hebben we erover gedaan om weer in het rangeerstation van Eugene te raken waar we dan ook nog te horen krijgen dat de eerste trein naar Klamath Falls "pas binnen een uur of zeven vertrekt". Shit happens, zegt Fred en we zoeken een schuilplaats om uit het zicht van de controletoren te zijn.
Als we onder een spoorwegbrug kruipen, zit er een adder van één meter in het gras en als in een biologieles blijven we wel een minuut naar het doodstille beest staan kijken, en het is...eh echt wel een SLANG, maar Fred zegt dat ie nooit door onze dikke kousen kan bijten.
Fred zal ons nog meer leren. Hij tekent plattegronden van de rangeerstations die we nog zullen tegenkomen en duidt aan waar we de trein best pakken, waar we ons vooraf moeten verstoppen, waar andere hobo's schuilen en een pot koffie stoken, en waar de hoge controletorens met de schijnwerpers zich bevinden.Als het donker wordt, geeft Fred ons een laatste snelcursus in-een-boxcar klimmen. We gaan voor een open pakwagen staan, en daar stap je zomaar niet in, de vloer ervan komt zo hoog als onze borstkas! Fred neemt het hangslot van de deur als een handvat beet, trekt zich op en gooit in één zwaai zijn linkervoet op de vloer van de boxcar en met die steunvoet en nog steeds hangend aan het deurslot trekt hij zijn hele body naar binnen. Die swing hebben we na twee keer oefenen beet, maar als Fred zich in de boxcar slingert mét zijn twaalf-kilo-rugzak-op-de-rug, moeten wij passen met onze houten benen en dunne spieren. ‘Gooi dan maar eerst je spullen in zo'n wagon en hoop dan maar dat je genoeg tijd hebt om jezelf erbij te hijsen,’ zegt ie, "Zo niet verdwijnt jullie bagage zonder jullie.’
Nachtelijk rangeerstation. “De midnight creeps komen tegen 2 km per uur aangeslopen.” © Stephan Vanfleteren
Voor we ons dieper in het rangeerstation en tussen de tracks begeven, waarschuwt Fred voor de midnight creeps, de wagons die bij het rangeren geheuveld worden en die geluidloos komen aangeslopen, ‘soms met twee of drie kilometer per uur, maar ook dan ben je zo plat als een mus als je onder die vijftig ton terechtkomt!’ en dus moeten we bij het oversteken van elk leeg spoor àltijd naar links en rechts kijken.
Op het zesde spoor staat een trein naar Klamath Falls. Fred kiest opnieuw een gondola die nog vuiler, nog smeriger is dan onze eerste. De vloer is deze keer bezaaid met roest en schroot, met sleutels, vijzen, moeren, scharnieren, kabels, springveren en ijzerslakken. Is Fred soms op zijn kop gevallen?! Integendeel, Fred is zelfs al doende om een gerieflijke slaapplek in te richten tussen dat schroot. Uit een andere trein heeft hij twee vierkante meter dik karton met plastic voering gesleept: het karton gebruikt hij als vloerbekleding bovenop het oud ijzer. De plastic voering zal dienen om onze slaapzakken warm en droog te houden in de koude nacht die komen gaat.
Kort na middernacht vertrekt de trein, een traag geknars door een pak van wissels en zijsporen, en dan zijn we weg.
Fred verstrekt nog oorplugjes en dan kruipen we met onze kleren in de slaapzak. Hoe Fred en Stephan dan kunnen inslapen is mij een raadsel; met die koude nachtlucht die over ons blaast en temidden van dat geraas van tachtig wagons. M'n muts en mijn jaskap heb ik diep over mijn oren getrokken. De hoes van m'n slaapzak leg ik over mijn gezicht, als bescherming tegen het opwaaiende roest en het neerdruppelende condenswater in de tunnels die we passeren. Een oog heb ik vooralsnog niet dichtgedaan.
De temperatuur bij vertrek bedroeg nog tien graden maar in de Cascade Mountains zakt ie tot één graad, met in de spoorberm nog repen sneeuw van de winter. We ontbijten met vodka, een stuk kaas en een brood dat Fred gisterenavond gevonden heeft, het is aangevreten door muizen.
De trein bereikt Klamath Falls, een houthakkersstad bij een groot meer. Fred wijst een spoorbrug vol graffiti. Eén hanenpoot is van Sidetrack. Zijn kribbel staat voor moord, want Sidetrack was de gevreesde seriemoordenaar die in de voorbije jaren minstens zestien treinzwervers heeft afgemaakt; pas een maand geleden is hij in Californië gearresteerd.
Tag van de seriekiller Sidetrack © Stephan Vanfleteren
Een Cherokee Jeep komt aangereden, het is Roger, de spoorwegpolitieman van K-Falls. Fred kent hem, en wil ons uitgebreid aan hem voorstellen, maar Roger reageert koeltjes, vraagt ons paspoort en schrijft alles over in een notitieboekje. Je moet begrijpen, zegt hij, vorige week is er een meisje verkracht in de yard en we zijn nog steeds op zoek naar de dader. En er zijn nog daders voortvluchtig. Vorige maand is er een tramp doodgestoken in Santa Monica (Californië) en de maand daarvoor twéé dood in Texas. En of we de man op deze robotfoto misschien zijn tegengekomen? Ene Charles Black die een tramp meermaals in het lijf heeft gestoken met een buck knife. Wees op jullie hoede, knikt hij.
Onze mentor Fred keert terug naar huis. En we maken kennis met drie vertrekkende treinreizigers. Eén is het type van de jaren-negentig-hippie: omgekeerde pet, twee zilveren vorken als armband rond zijn polsen geplooid, een FM-transistor, en een hondenmormel dat tegen zijn been kwispelt. Het beestje draagt een hemdsmouw als jasje. Z’n hobo-naam is Skillet Fried Southern Rider. Skillet is 34 en zegt dat er niks boven trainriding gaat: ‘Ik heb een jaar door de States gelift, ik heb een jaar in de bergen gewoond, but this is my home, man!’
Skillet zegt dat hij makkelijk drieduizend mijl per maand aflegt, zomer én winter. ‘De winter, man! Vijftien centimer sneeuw! De maan! De sterren! Die trein die voortjakkert door de kou en ik zit op die trein, man, ik zit erop!’
Skillet leeft van food stamps, de bonnen waarmee steuntrekkers voedsel kunnen kopen. Hij reist van staat tot staat om ze op te strijken: zo'n leven kan hij nog làng volhouden!
Skillet zit op de rand van de open wagon als een cowboy op zijn paard. De trein vertrekt met een schok, hij blijft in het zadel:" This is the life, man! You gotta ride 'em! Ride 'em high!"
Dood in de pakwagen
Nog niet vertrokken is een trein naar het noorden. Tom en Bob, een zwarte en een blanke hobo, zitten op het trapje boven de buffer van een citerne.
Bob zegt dat het treinbestaan de laatste vijf jaar veel en veel harder geworden is: "Dertig jaar geleden hoorde je machinisten nog zeggen dat het geluk bracht als er een hobo aan boord was, maar nu steken ze soms hun vinger op, fuck you!, of ze drijven hun snelheid op als je komt aangelopen. Ze hebben te veel gezien. Oude mannen die zat van de trein rollen en onder de wielen tuimelen, jonge gasten die drugs gebruiken en onderweg geladen wagons openbreken. Ook de hobo's onderling hebben een en ander te vrezen. 'Vroeger zou een hobo zijn laatste sigaret hebben weggegeven aan iemand die niks had, nu moet hij schrik hebben dat ze hem de kop komen inslaan voor die ene sigaret.’
Bob herhaalt nog eens dat we voorzichtig moeten zijn : ‘Vroeger droeg ik geen wapen, nu heb ik altijd een knuppel bij me. Ik neem geen risico’s meer sinds ik op een nacht een kerel met een fles boven mij zag staan. Hij zat samen met mij in de boxcar en hij wou me bewusteloos slaan en al mijn geld jatten. Ik had gelukkig een ijzeren stang onder mijn slaapzak liggen, ik ben opzijgerold en heb hém een klap voor zijn kop verkocht. Wam, de helft van zijn schedel weg. Zo dood als een pier. Bij het eerstvolgende station ben ik zelf naar de politie gestapt. ‘Ik heb iemand doodgeslagen,’ heb ik gezegd. Ze hebben me zes dagen in de nor gestopt en me toen vrijgelaten. Zelfverdediging was het, maar ik droom er nog van. Nu laat ik nooit meer onbekenden in mijn boxcar. Geloof me, jongens, doe hetzelfde: als je in een boxcar zit, laat dan niemand binnen die je niet kent. Een echte zwerver zal dat respecteren en een andere wagon opzoeken. En als ze dat niet doen, dan hou je ze af, dan stamp je de tanden maar uit hun bakkes. Dat klinkt grof, maar dit is een grove wereld, guys. De plek waar hobo’s mekaar tegenkomen heet niet voor niks hobo jungle.’
Ook Fred had het ons gisteren gezegd: ‘Wees bij een eerste contact nooit vriendelijk, want vriendelijkheid wordt gezien als de onzekerheid van de beginneling, en dus een teken van zwakte.’
Bob zegt dat we vooral moeten oppassen voor homeguards en streamliners. 'Homeguards' zijn zwervers die in een en dezelfde stad rondhangen, "soms om andere zwervers te kunnen beroven". En 'streamliners' zijn kerels die zonder bagage reizen, "wat ze nodig hebben, pikken ze onderweg wel van gasten zoals jullie ". Voor de rest wenst hij ons een goeie reis: "Geniet ervan, gasten. Nog een paar jaar en dan is de lol eraf en dan zijn er geen hobo's meer. Dan zal er zoveel misdaad en zoveel politie zijn, dat niemand nog op die treinen rijdt."
Rovers en runaways
Roger Bryant, met de ster op het kraaknette uniformhemd, heeft het scherpe uiterlijk van een sheriff in een ouwe tv-serie. (Denk aan Lassie! en denk zeker ook aan Hobo, de zwerver, een serie over een dappere herdershond die de BRT uitzond in 1966). Spoorwegpolitieman Roger heeft hier in Klamath Falls de reputatie van tolerant te zijn. Van hem mag iedereen op àlle treinen jumpen. Wat nochtans compleet tegen de wet is. Maar hij stelt wel één voorwaarde: niet in geladen vrachtwagens kruipen en ook niet in de onbemande hulplocomotieven achter de hoofdlocomotief.
Volgens zijn tellingen komen er jaarlijks zo'n 30.000 treinzwervers door Klamath Falls, de meeste in de zomer. De oudste die hij ooit zag, is twee jaar geleden gestorven (‘die rakker was negentig jaar’) en gisteren heeft hij nog een opa van 78 gezien. De jongste was twaalf, een zwarte jongen die weggelopen was van huis, all the way from L.A. en dat is toch nog 1300 km hiervandaan. Wat opvalt is dat er tegenwoordig meer jongeren en vrouwen zwerven. De vrouwen zijn meestal onderweg met man of vriend. ‘beide hebben ze hun werk verloren, ze zien geen toekomst meer en gaan dan maar ronddolen.’
Vorig jaar pakte hij een moeder met twee kinderen op, elf en twaalf jaar. Een echtscheiding. De man had het hoederecht gekregen en de vrouw was met haar twee kinderen gevlucht op de trein, helemaal van de oostkust naar hier, 4500 km.
© Stephan Vanfleteren
Roger heeft de meeste problemen met oude zwervers die teveel drinken, op de sporen in slaap vallen en doodgereden worden. Dat drinken is een pest, zegt hij. En verder heeft hij de handen vol met de 15-16-jarigen, de runaways, "die laten zich niks meer vertellen, die gebruiken vaak drugs en zijn dan compleet onhandelbaar." Ook Mexicanen houdt Roger in het oog, "de meeste gaan voor de appeloogst in de staat Washington, maar er zijn ook Mexicaanse criminelen die van stad naar stad rijden om 's nachts in auto's in te breken."
En of we de FTRA (de Freight Train Riders of America) kennen? Dat zijn kleine train gangs die "zwervers van de treinen gooien om hun bezittingen te stelen." Hij schat ze op een duizendtal in het westen alleen.
En de reizende seriemoordenaar Sidetrack? Die heeft hij wel honderd keer gezien. ‘Hij kwam hier zijn food stamps incasseren. Er moeten tientallen tramps zijn die met hem samen gereisd hebben, zonder dat hij ze heeft vermoord. Maar uiteindelijk had hij op tien jaar tijd toch 19 killings op zijn geweten en zestien van de slachtoffers waren treinzwervers.’
Roger gaat weer naar de sporen. Binnen enkele minuten stopt een freight richting Los Angeles en hij vermoedt dat hij enkele passagiers van de trein zal moeten plukken. Het zijn er vier en het kost hem geen moeite om ze te ontdekken: "Wie op die treinen met opliggers reist, gaat altijd uit de wind zitten, en dus achter de wielen van de vrachtwagens." Er komt zelfs een backpacker met een mountainbike van de trein, allicht koos hij voor de formule Trein+Fiets.
Roger schrijft hun identiteit op en niemand die het kwalijk neemt: "Blij je te ontmoeten, Roger! We hebben al zoveel over je gehoord, Roger! Steek ons maar in de bak, Roger!"
Dat viertal heeft al aardig aan de fles gezeten en richt zich tot ons. Als ze horen dat we van België komen, worden hun opmerkingen gemelijk: "Hey, die gasten zijn met een vliegtuig naar hier gekomen, die gasten hébben geld, die gasten hebben een papa en een mama met geld, die gasten hebben een huis vol geld!" We willen ons met een grap verweren, en nog één, maar ze blijven over dat geld bezig en zo druipen we af, achterom kijkend of we niet gevolgd worden. Die bange aftocht geeft een slecht gevoel. We zijn te vriendelijke beginnelingen geweest! we hadden grof moeten zijn en brutaal moeten terugblaffen! Maar dat ligt niet in onze aard. We zijn schapen. Brave schapen. Die vràgen om geschoren te worden.
MORGEN DEEL 2: Wachtzaal van de wanhoop - het barse opvanghuis van de Born Again Christians
Jan, Stephan en North Bank Fred in de open roestwagon © North Bank Fred