De stille bekerfinale tijdens corona en de roodwitte roots van Luk Perceval

Zaterdagavond wordt de bekerfinale gespeeld tussen Royal Antwerp FC en een club uit Brugge. De match had al op 22 maart gespeeld moeten zijn, maar corona zat dwars. En waar de Heyzel uitverkocht was, volgt nu een stille strijd achter gesloten deuren.
De vorige bekerfinale van Antwerp is al geleden van 1992. Het won toen tegen KV Mechelen en speelde het jaar daarop de internationale bekerfinale op Wembley. Kort voor die topper spraken we Luk Perceval, artistiek leider van de Blauwe Maandag Compagnie. Perceval was een jeugdspeler van Antwerp en is verknocht aan die liefdevolle kleuren. Hij spreekt niet alleen over 'zijn' Antwerp, maar ook over voetbal als kunst en de intense ontroering die hem daarbij kan overvallen.

(Humo mei 1993 - licht herwerkt © Jan Hertoghs 

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs

Luk Perceval: “Den Bosuil ! De Hel van Deurne. Ik was onder de indruk tot in de toppen van mijn shoes.”

Een huiskamer in Deurne-Noord, eind jaren zestig. De chips aangebroken, de tv ontstoken,en de familie klaarzittend om de wedstrijd Racing White - Antwerp te bekijken. (In die jaren zond de BRT eens in de maand één competitiewedstrijd uit.) Daar zaten we dan, in onze stretchen pyama's, als trouwe Antwerp-aanhangers met  roodwitte sjaal om de hals en roodwitte muts op de kop, de koperen scheepstoeter blazensbereid. Aant-warep (boemboemboem op de salontafel) Aant-warep! Op het scherm of op de Bosuil maakte voor ons weinig verschil, you'll never walk alone.
Anno 1993 ga ik alleen nog kijken als er werkelijk wat op het spel staat, maar toén vond ik het iets heldhaftigs hebben om week na week, in weer en wind, in goede en in kwade dagen die ploeg aan te moedigen. Rood van schaamte en wit van schrik, hoonden die van Beerschot toen Antwerp degradeerde. Je droeg het als een martelaarschap. En ooit zou wel de verrijzenis komen.
Nu, 113 jaar na zijn oprichting stapt de Great Old uit de catacomben: Antwerp gaat naar Wembley (spreek uit: Wem-be-ley).
Wie zeker een door het theaterdecreet gesubsidieerde vreugdedans heeft uitgevoerd, is Luk Perceval (35), artistiek leider van de Blauwe Maandag Compagnie  en al langer dan een blauwe maandag Antwerpfan. Perceval heeft tot zijn vijftiende bij Antwerp gespeeld en wordt naar eigen zeggen ‘nogal wat liever’ over voetbal dan over theater geïnterviewd.
"Als ik een theaterstuk moet uitleggen blijf ik in algemeenheden steken. Als ik over voetbal spreek, kan ik lyrisch worden. Zoals bij dat derde doelpunt, Lehnhof scoort tegen Spartak Moskou, dan zit ik te janken op die tribune. Dat is ontroering in mijn binnenste vergaard na 27 jaar lief en leed met die club te hebben meegemaakt. Er zit tussen Antwerp en mij een navelstreng.
Vijf jaar geleden schreef ik mijn twee zonen in bij de miniemen. Dat was zo'n twintig jaar nadat ik als UEFA-junior bij Antwerp was weggegaan en achter die schrijftafel zit Charles van Rieck, een mannetje van 9O jaar en mijn  ploegafgevaardigde toen ik nog miniem was. Ik zeg hun namen -Jeroen en Steven Perceval-, hij kijkt van zijn blad naar mij: "Gij et veur den ierste keer meegespeld oep den Olsé, ne zondag oem elf uur en we emme gewonne mè 1-4! Jongen, dan stroomt er zoveel ontroering door mijn lijf, dan voel ik mij zo verknocht, dat is niet te geloven."

Ingescand uit Humo

Ingescand uit Humo

HUMO: Ben je ook verknocht aan dat stadion, aan die legendarische betonkuip van de Bosuil?
Perceval: "
Den Bosuil! Dat stadion is voor mij een relikwie.  In 1972 -ik was toen veertien- ben ik ballenraper geweest bij een België-Holland, zo'n avond waarop de Bosuil ineens De Hel van Deurne wordt. Al die commotie, al die legendarische spelers binnen oogafstand, daar was ik van onder de indruk tot in de toppen van mijn shoes! Dat stadion, dat is mijn jeugd. Ik heb daar geravot, verstoppertje gespeeld, een eerste lief uitgekleed, gewed met een kameraad dat hij niet in een lichtpyloon durfde klimmen om daar -op grote hoogte en tijdens een wedstrijd- zijn broek af te steken, wat hij dedju ook nog gedaan heeft, ... àlles heb ik daar meegemaakt. “
HUMO: Wat mij nog altijd fascineert, is hoe je via dat achtergeborgte waar het altijd naar pis en hotdogs stinkt, over zo'n betonnen trap ineens in dat stadion komt. De zon schijnt op die witte bankjes, een geur van zoet gras en milde sigaartjes waait je toe, met al dat opgewonden vooraf-geroezemoes van al die toeschouwers. Heerlijk.
Perceval
: "Terwijl jij in het stadion kwam, heb ik als jonge kid meermaals tussen de lijnen gestaan. Wij speelden met de miniemen vaak de voorwedstrijd voor de grote match. En één keer heb ik voor de ogen van al die toeschouwers een doelpunt gemaakt, mijn enige doelpunt van dat seizoen. Dat applaus dat toen opklonk voor mij, -ik schat van zo'n tienduizend toeschouwers- dat applaus zal ik nooit vergeten. Het was alsof de hemel voor mij openging. Ik zal ook nooit de eerste keer vergeten dat ik die grasmat als speler mocht betreden. Op dat moment was dat stadion zo goed als leeg omdat het een jeugdwedstrijd betrof, maar in mijn fantasie zat daar natuurlijk zestigduizend man! Uiteraard was mijn grote droom om ooit in de eerste ploeg te mogen spelen. Maar die droom viel aan duigen bij de UEFA-juniores: ik zag dat ik te licht woog en dat je als middenvelder geen twee, maar drie longen moest hebben en die had ik niet. Mijn voetbalcarrière is uiteindelijk bij het Katholiek Sportverbond geëindigd. Maar in mijn droom en in mijn slaap speel ik vaak bij de eerste ploeg. Tussen mannen als Czerniatinsky, Severeyns en Smidts. En meestal ben ik voorstopper en belast met een speciale bewakingsopdracht, Nilis uit de match houden bijvoorbeeld. Die raakt natuurlijk géén bal! (lacht)

© Jan Hertoghs

© Jan Hertoghs


Boeren!
Perceval: "Door die finale in Wembley is Antwerp voor eeuwig en altijd "de ploeg van 't stad", maar Antwerp is geen stadsploeg zoals Beerschot er een is. Antwerp is veel meer een volksploeg, omdat ze rekruteren uit de volksbuurten en omdat ze in Deurne spelen en niet binnen de stad. Nu zit Beerschot in tweede, maar als Antwerp vroeger op het veld van Beerschot verscheen, dan werd toch luidkeels "Boeren! Boeren!" gescandeerd. Ook als wij met de miniemen van Antwerp tegen Beerschot speelden, zag je het verschil: die jongetjes hadden betere shirts, een beter veld en ze gedroegen zich ook anders, met veel meer kapsones dan wij. Wij zagen er nog zo'n beetje vooroorlogs uit met onze dikke katoenen shirtjes die met een veter om de hals sloten en met onze stijfgesteven broekjes waar je je billen aan sneed."
HUMO: Die rivaliteit met Beerschot nam bizarre vormen aan. Ik herinner me één wedstrijd waarbij Antwerp-supporters een kartonnen paars-witte Christus met kruis en al op het Beerschotveld neerpootten en vervolgens in brand staken.
Perceval: "
Ik ben vroeger lid geweest van de Spionkop, wij stapten met vijfhonderd man én met vlag en wimpel te voet van het Centraal Station naar het Kiel. En onderweg pikten wij eieren uit de winkels om de majoretten van Beerschot te kunnen bekogelen. Een paar keer hebben we 's nachts ook de doelpalen van Beerschot zwart geverfd. Dat had zijn charme, die deugnieterij.
Om op dat volkse terug te komen. Mijn ouders die ex-schippers waren, woonden in Deurne-Noord, vlakbij het Albertkanaal en uit dat "kanaalkantje" ben ik haast logischerwijs bij Antwerp terechtgekomen. Want al wat in onze buurt aan snotneuzen rondliep, speelde bij roodwit. De familie Mariman woonde daar ook! (Frank en Ludo speelden lange tijd bij Antwerp. Ludo later ook bij The Kids,jh) .Als kind kenden wij maar twee spelletjes: tegen-de-muur-sjotten  of rond-den-blok-koersen. Iets anders was er niet. Mijn ouders hadden het niet breed, wij gingen nooit met vakantie, Antwerp en de wielerzesdaagse, dat was zowat de enige ontspanning. Ik ben bij de Antwerp-miniemen beginnen spelen toen Antwerp voor het eerst in zijn geschiedenis naar tweede was gezakt (seizoen 1967-68). Toen ze na twee jaar uit dat vagevuur stapten, was dat een soort heropstanding. Ook wij als jeugdspelers kregen bij het begin van dat seizoen een preek van de trainer: Antwerp ging het roer omgooien en wij moesten dubbel zo hard ons best doen."

© Wietse Hertoghs

© Wietse Hertoghs

Cruijff en de trekbiljart
HUMO: Ik herinner mij ook dat annus fantasticus toen Antwerp weer naar eerste promoveerde. Na de beslissende match op Waterschei en toen iedereen het veld opstormde, en ze de spelers uitkleedden om een souvenir te hebben, kon ik het onderhemd(!) van keeper Eddy Braem te pakken krijgen. Dat heeft nog jaren boven mijn bed gehangen.
Perceval
: "Zo'n fetisjisme had ik niet. Wel heb ik lange tijd met een enorme roodwit geblokte vlag rondgelopen. Als ik met dat vaandel op de tribunes zwaaide, zagen vijfhonderd mensen geen bal meer! Op Club Brugge hebben ze dat doek om die reden zelfs willen afpakken en daar is toen een vechtpartij uit ontstaan. Voor de bekerfinale tussen Antwerp en Anderlecht (1975) had ik een Amerikaanse helm half rood en half wit geschilderd en daarop een bekertje gekleefd zodat die helm eruitzag als een Duitse pinhelm. Daar heb ik ook lang mee rondgelopen. Ik was ook een verwoed autogrammenjager. Handtekeningen van Antwerpspelers, maar ook handtekeningen van internationale topvoetballers. Mijn succesjaar was 1972 met de Europese eindronde voor landenteams die toen in België gespeeld werd. Ik had de handtekeningen van Cruijff, Van Hanegem, Neeskens, Beckenbauer, Vogts, noem maar op. Boeken vol had ik, en over elke handtekening kleefde ik een cellofaantje zodat de inkt nooit zou verbleken! Cruijff was toen mijn god en ik heb hem zien trainen op de Bosuil. Maar na de training -en dat vergeet ik nooit!- stond ie in het buffet te flipperen met een sigaret in zijn mond! Mijn allerhoogste idool schuddend aan die flipperkast met -en dat vond ik nog het ergste!- een vulgaire sigaret tussen zijn lippen. Wat een demystificatie!"
HUMO: Mij is het als jong supporter één keer overkomen dat ik na een uitwedstrijd in Sint-Truiden de hele Antwerpploeg in een doodgewone taverne zag staan. Van Moer met een biljartkeu en supporters die zomaar hun arm om die spelers legden, onbetamelijk vond ik dat! Ik kende ze alleen maar vanop grote afstand, en nu stonden ze daar, Antwerps pratend en bier tot zich nemend. Ik wou dat ik het niet gezien had.
Perceval:
 "Zelfs als jeugdspeler heb ik maar één keer een Antwerp-speler buiten het veld ontmoet. Ook voor ons was er die afstand waardoor die spelers een soort halfgoden waren. Die afstand creëert de mythe hé. Op video heb ik een tv-uitzending waarin Hugo Camps met Freek De Jonge door het Bosuilstadion wandelt. En Freek vertelt welke herinnering hij heeft aan "de hel van Deurne". Wat voor een onuitwisbare indruk dat gehuil -verweg in een ander land- op hem maakte, als kind zittend bij de radio. Radio kon toen nog legende schrijven, want er was nog geen tv. En je ziet Freek die originele houten doelpalen betasten, pràchtig is dat. Zelfs nù nog vind je op de Bosuil geen ronde staalbuizen in het doel, maar stoere vierkante balken."
FC Middenstand
HUMO: Antwerp is een wisselvallige ploeg. Winnen tegen Spartak Moskou, maar jaren later in de Belgische beker uitgeschakeld worden door vierdeklassers als Libramont en Dottignies. Groots in grote wedstrijden, klein in de kleine matchen.
Perceval:
 "Onder Georg Kessler en onder Guy Thys was Antwerp geen up-and-down-ploeg. Zij zijn de trainers die Antwerp constant konden laten presteren tijdens hun "bewind". Walter Meeuws is ook zo'n autoriteit, onder hem beleeft Antwerp nu grote dagen, maar als ik Meeuws met Thys en Kessler vergelijk, is Meeuws eigenlijk iets te tof voor de jongens, hij staat eigenlijk iets te dicht bij de spelers om ze week na week te laten presteren.

luk zelf.jpeg

Eigenlijk leid ik mijn troep, mijn Compagnie ook als een voetbalploeg. En zoals een trainer goeie voetballers niet moet leren hoe ze moeten spelen, zo moet een regisseur evenmin zijn acteurs leren hoe ze moeten acteren. Kijk naar de opwarming voor de match. Dan zie je hoogstandjes en goocheltruukjes, haarfijn getrapte doelschoten, loepzuivere passes, alles doen ze dan met de bal, want ze zijn ontspannen. Maar dan komen ze op het veld, die stress valt op hun lijf, en hop, ze zijn de helft van hun kunnen kwijt. Daarom moet een trainer geen technieker zijn, maar een vaderlijke autoriteit, een papa voor die spelers.  En al wat die "papa" moet doen is die speler of die acteur op zijn vertrouwen werken zodat zijn creativiteit opbloeit en zijn energie vrijkomt. Als je een acteur teveel op zijn techniek aanpakt, dan zal hij onder zijn capaciteiten spelen. Net alsof je een voetballer met een te technische opdracht in het veld stuurt, die voelt zich ook in zijn creativiteit belemmerd. En voetbal IS creativiteit. Voetbal IS grote kunst voor mij. Ik heb hier een video met uitsluitend slow motion-opnamen van Johan Cruijff. Als je ziet wat die voetballer binnen één seconde in zijn hoofd beslist en met zijn benen uitvoert, dat is puur kunstenaarschap, dat is hoogbevlogen creativiteit. Zoals hij met heel zijn lichaam en met opgestoken vinger kon faken alsof ie naar links ging trappen en terwijl met buitenkant voet die bal naar rechts trapte, dat is onwaarschijnlijk geniaal. Ik kan zitten schreien als ik dat zie."
Humo: Antwerp klimt nu naar een internationale top. Kunnen ze dat bestendigen?
Perceval:
“Tja, je zit daar met die voorzitter Eddy Wauters die nooit eens zijn nek zal uitsteken en die absoluut niet de dynamiek van een havenstad belichaamt. Andere havensteden zoals Rotterdam, Marseille, Hamburg, Bremen of Liverpool hebben allemaal grote ploegen met een belangrijke internationale uitstraling. Antwerpen heeft dat niet en het lijkt erop dat Antwerp dat economisch potentieel uit zijn haven gewoon niet benut. Antwerp is nog teveel een middenstandsploeg waar Janneke en Mieke een kartonnen bord langs het veld mogen zetten. Er zit geen lijn in, er staat geen groot project voor ogen. Kijk naar die business seats, dat complex staat daar als een luxueuze steenzweer op dat amechtige betonstadion geënt. Precies of ze hebben van grootmoe een borst geamputeerd en haar een poepsjieke prothese aangepraat. Een dure pleister is het, een gouden tand in een oud gebit. Mij doet dat pijn aan het hart. Er is te weinig risico, te weinig verbeelding, te weinig kunstenaarschap bij Antwerp. Het bestuur kruideniert nog teveel. Zo'n middelmatigheid is toch uit den boze in het voetbal. Welke toeschouwer, welke voetbalfan is geïnteresseerd in een ploeg die de middelmaat en de middenmoot in haar vaandel voert. Daar komt toch niemand naar kijken! Mijn twee zoontjes spelen bij Antwerp, maar Antwerp heeft geen echte kweekschool voor zijn jeugd zoals Anderlecht dat heeft. Die jongetjes moeten zich nog altijd in diezelfde triestige kabientjes omkleden waar ik mij 25 jaar geleden heb omgekleed. OK, Hans-Peter Lehnhof en Walter Meeuws komen bijna elke zondag kijken naar dat jonge grut, maar dat is puur uit sympathie, een echt lange-termijn-beleid is er niet."

© Wietse Hertoghs

© Wietse Hertoghs

HUMO: Voor heel wat mensen staat Antwerp nog altijd gelijk aan de heethoofdige X-side.
Perceval:
 "Hooliganisme is een maatschappelijk fenomeen, het gebeurt bij voetbalwedstrijden, maar het heeft met voetbal geen uitstaans. Het is gecultiveerde agressie en die vind je niet alleen in en om de stadions. Die hooligans met hun geweld moet ik niet, maar heel die brutale opdringerigheid van alle soorten rondwentelende en uit-en-aan flikkerende reclames, dat moet ik evenmin. Dat totaal gebrek aan stijl -ook in andere stadions-, vind ik zo triestig. Toch kunnen noch de commerce noch het hooliganisme bij mij de poëzie van het spel wegnemen. De poëzie is de menselijkheid tijdens zo'n wedstrijd, zo'n match is als het leven zelf, met de hoogtes en laagtes van een ploeg, met de inzinkingen en de opflakkeringen van een speler. Hoe zo'n match ineens kan kantelen. Plots, na een hoekschop die nipt naast gaat, waart er iets door die spelers: je merkt hernieuwde wilskracht en ja, verdomme, het zit er nog in! En wat depressie was, wordt hoop. Dat spel krijgt ineens ook meer drift, meer agressie, wonderlijk om zien zo'n ommekeer!
Ik kijk zeer graag naar Engels voetbal. In Engeland wordt minder op tactiek gespeeld, daar is het nog veel meer patsboem en om ter hardst achter die bal aanhollen, met slidings en tackles en gevaarlijke kopstoten, puur uit honger naar die bal. Een ploeg die goed georganiseerd en doordacht voetbal brengt, dat is beter voor het resultaat maar ook minder ontroerend om zien. Ik zie voetballers het liefst gààn naar de goal. Keer op keer, telkens opnieuw, zonder vaar of vrees. Zoals Antwerp in de tweede helft tegen Spartak Moskou. Technisch lagen ze onder bij die Russen, maar ze bleven knokken om die bal, al was het op hun knieën. Dat knokken, dat niet opgeven, dat gaan en opnieuw gaan, dat is voor mij de ware aard van voetbal."
De Wembley-emotie
HUMO: Voetbal is ook onuitgegeven. Van een concert kan je het verloop redelijk voorspellen, maar bij voetbal liggen miljoenen spelpatronen klaar en vooraf weet je nooit hoe de wereld er 9O minuten later zal uitzien.
Perceval: "
Triomf en tragedie liggen op elf meter afstand van mekaar. Lehnhof die klaarstaat om die penalty te trappen tegen Moskou. Vander Elst die klaarstaat bij de stip in de wereldbekermatch tegen Spanje, dat is niet na te vertellen, wat voor gevoelens er dan door zo'n speler gaan. Elk jaar kijk ik naar de Engelse cup final op tv. Dat is mijn jaarlijkse ontroering die ik voor geen geld wil missen. Eerst die samenzang, die liederen die intens gezongen worden door de supportersscharen, want eindelijk zijn ze op Wembley, onnoemelijke wedstrijden zijn eraan voorafgegaan en verdorie, wat hebben we afgezien! Ondertussen zie je die twee ploegen klaarstaan in de catacomben, vlak voor ze uit de tunnel duiken. In de verte -en de BBC brengt dat prachtig in beeld- zie je de zon en het gras, maar binnen is het nog donker, die gezichten zijn bleek weggetrokken van de schrik en de spanning, kijk maar naar dat bijten en dat malen van die kaken op die kauwgom, en die kleine sprongetjes die ze maken op die tegels, en dan doet de BBC-man teken ... en dan komen die spelers uit dat tunnelleke in die immense kolk van volk, in die zee van dat stadion... Jong, dan ik zit te bleiten in mijn zetel!
Met Jan Fabre die ook bij Antwerp gespeeld heeft, ga ik af en toe naar een wedstrijd kijken. Laatst nog naar Antwerp-Anderlecht en toen die spelers opkwamen en 15.OOO toeschouwers lieten horen dat ze er waren, zei Jan:" Dit kunnen wij nooit ofte nooit bereiken."

Mei 1993. Duizenden Antwerpsupporters zijn met treinen onderweg, de lange reis richting Oostende en Wembley.    © Stephan Vanfleteren

Mei 1993. Duizenden Antwerpsupporters zijn met treinen onderweg, de lange reis richting Oostende en Wembley. © Stephan Vanfleteren

 

                     

Vorige
Vorige

<k> De machtige duivenvlucht uit Barcelona: vertrokken in volle corona

Volgende
Volgende

De alziende corona-camera: de burgemeester met het fotografische geheugen